Vliegende bommen op de Tuinbouwstraat en de Van Geertstraat

Getuigenis van een bewoner, opgetekend door een journalist van ‘Het Handelsblad’

26 oktober 1944 om elf minuten over vier
24ste bom

Vier uur 's morgens. 't Is nog pikdonker. Wij zijn vast ingeslapen na onrustige uren de vorige dag doorleefd. Plots schrikken wij op, komen ietwat verdwaasd in ons bed overeind.
Mijn kinderen zijn zo bang dat zij aan het huilen gaan. Ik tracht ze te sussen. (...)
In de lucht een dreun en lawaai, of er een tiental motorfietsen met open knalpot voorbij scheren. Ik krijg de in druk dat het helse tuig vlak boven het dak van mijn huis vliegt.
Plots volgt een ijle stilte...

'k Weet wat dit te betekenen heeft en schrik grijpt mij om het hart.
'k Ben heel en al angstige verwachting. 't Fatale gaat gebeuren.
'k Ben er mij van bewust dat geen tijd meer overblijft om voor die wezens die mij lief zijn en voor mezelf een veilige schuilplaats te zoeken.

Is het moordtuig voor ons bestemd? Geen woord komt over mijn lippen, allee, druk ik mijn jongste schat dicht tegen mij aan alsof dit beschutten kon tegen het dreigend gevaar.

Dan een oorverdovende slag.

Deuren en vensters vliegen wijd open, met krachtige ruk, voor en achter. Buiten is er het dof lawaai van uit elkaar gerukte stenen en versplinterd hout, meubelen en huisgerei, die in een chaotische val overeen rollend neerkomen.

Tussendoor het scherpe geluid van stukvallend glas. Nog meer glas.
't Heeft ten hoogste een minuut geduurd en dan niets meer. De stilte. De zoveelste tragedie is voorbij.
In koortsige haast trek ik een paar kledingsstukken aan.
...

Ik ga buiten. Overal glasscherven en lichtvlakken die uit weggeslagen deuren en vensterramen van de huizen door de duisternis van de nacht dringen.
De vliegende bom kwam in de Tuinbouwstraat neer.
Een ganse hoek huizen is weggeslagen, ligt tot een hoop puin in de straat uitgespreid.

De hoek aan de overzijde van de straat is deerlijk gehavend. Uit nog rechtstaande gebouwen, uiteengerukt, met gebarsten, wankelende muurpanden vluchten verdwaasde, radeloze mensen, gekwetsten.
Bloed sijpelt langs hun aangezicht, langs hun handen, druipt op hun nachtgewaad.
Geen woord komt over hun lippen.
Hun ogen schijnen niet te weten dat zij gekwetst werden.
Angst vult gans hun wezen, drijft ze voort, wie weet waarheen, om het even, als zij maar kunnen vluchten ver weg van die plaats waar de dood maait.
'k Word door die puinen als aangetrokken, onweerstaanbaar.

Voor enige minuten stonden hier nog huizen, met meubeltjes netjes geschikt, waren hier mensen, mannen, vrouwen, onschuldige kinderen, allen in vreedzame rust.
Nu niets meer, geen huizen, geen mensen. Niets, niets dan puinen, lichtrood, bedekt met grijs stof, en een brede kuil, diep in de grond gegraven.

Alom gekerm dat tot mijn diepste binnenste doordringt, mij koortsig omknelt, mijn oogschelen met tranen bevochtigt.
Reeds zijn de paters van de Ploegstraat hier en ook een paar andere personen. Wie? Om het even.
Zij snelden toe om hulp te bieden. Zonder dat zij een aanduiding nodig hadden begonnen zij te graven.
Zo maar, omdat zij niet anders kunnen. Omdat heel hun wezen hen ertoe drijft.
Zij zijn voorover gebukt, komen wat overeind, de handen vol met stenen die zijn wegwerpen.
Weer gaat hun lichaam de diepte in, komt het overeind, weer vallen stenen. Zo gaat het voort, ononderbroken, altijd en nog dezelfde bewegingen, stilzwijgend.
Geen twee stenen liggen nog op elkander.
Ze zijn verward met stukken buizen en hout, met eindjes draad.

En daar vlak voor ons dringt van onder de puinen door verdoofd geroep om hulp.
Alles wordt verwijderd, stenen, buizen, hout, draad, zo maar met de handen, bevuilde gekwetste handen, met bloed vermengd. De tijd duurt folterend lang, schijnt een eeuwigheid.
Ik heb mij bij de redders gevoegd, ben op mijn beurt voorovergebogen, heb de handen vol met puin dat ik wegwerp. Steeds dichter bij ons het tragisch gekerm van het bedolven wezen.
Wat duurt die tijd toch! Als ik er over nadenk, nu achteraf, moeten er toch geen tien minuten verlopen zijn.

Onze geweldige inspanning was niet vergeefs.
Wij hebben een matrasje blootgelegd, waarop een krijtend kindje gedrukt lag.
God zij dank, het schijnt ongedeerd.
Om niet te begrijpen, zo geklemd worden tussen het gruis van een instorting en niet gedood, zelfs niet gekwetst zijn.
Wij tillen het kindje op zijn matrasje voorzichtigjes op, geven het over aan hulpvaardige scouts die ondertussen op de plaats van het onheil zijn toegesneld, kunnen ons niet langer om het bevrijde wezentje bezorgd maken, zijn opnieuw beginnen graven, vooroverbuigend, overeind komend, neerbuigend, gewaarschuwd door nieuw gekerm, vlak voor ons uit, van minuut tot minuut hartverscheurender tot ons doordringend.

Andermaal voelen wij grote voldoening tot in ons diepste binnenste doordringen wanneer wij op haar beurt een bejaarde vrouw uit haar benarde toestand bevrijden.
Zij wordt voorzichtig opgetild, gaat uit onze handen over in de toegestoken handen van personen der hulpdiensten, die talrijker toegestroomd zijn.

P.L.B., Rood Kruis, Engelse hulpdiensten, alles is op de been. Allen zijn op post. En weer aan het graven. Wij zijn thans met meer mensen aan de gang.
Ditmaal pogen wij een man die geklemd zit tussen zware balken te bevrijden.
Scherpe tanden van zagen glijden heen en weer, dringen in het hout, dieper en dieper, scheiden het.
Tommies zijn tot bij ons gekomen, geven zich rekenschap van de ijdelheid onzer pogingen.
Wat niet mogelijk scheen, wordt werkelijkheid. Op gevaar af hun eigen leven te verliezen dringen zij hun schouders onder de ingestorte balken van het plafond, spannen zich met heel hun macht in, tillen het geheel wat op en het is ons mogelijk de ongelukkige tot ons te trekken.

Op datzelfde ogenblik stort heel vlakbij, met geweldig lawaai, een muurpand in.
Het is de derde redding waar ik toe bijdroeg en ondertussen zijn er voldoende hulpvaardige handen aan het werk gegaan. Te allen kante worden mensen blootgelegd, weggedragen, doden, gekwetsten, weer gekwetsten nog doden.
Ik begrijp dat ik de plaats ruimen moet voor vaklui die volop bezig zijn en keer huiswaarts met slenterstap.
Heel mijn wezen is met stille vreugde vervuld. "'k Heb mijn burgerplicht volbracht. 'k Heb het mijne bijgedragen om mijn medemensen te helpen. 'k Heb drie slachtoffers helpen bevrijden."
Met een zucht van verlichting ziet mijn vrouw mij terug in de kamer komen. Ik ga naar de keuken, drink een grote kop koude koffie gretig ledig. Dat doet goed.

Toen het begon te schemeren keerde ik naar de Tuinbouwstraat weer. Nog verscheidene muurpanden stortten ondertussen in. Anderen helden vervaarlijk voorover.

Toen drong het tot mij door dat kort tevoren de paters, de eerste helpers en ikzelf te midden van dit gevaar gestaan hadden.

De duisternis die ons omhulde maakte dat wij het niet geweten hebben.
Wij bleven doorwerken, rustig, zonder verpozen, met slechts het doel voor de ogen.
Nog altijd, nu zo lang achteraf, hoor ik het gekerm, dat uit die puinen opsteeg.
Om nooit te vergeten! En dan die bittere woede die toegreep omdat men zich machteloos voelde!
Maar zoiets kan men niet verhalen, dat moet men beleefd hebben om het juist te begrijpen.

Tekst gebaseerd op een getuigenis uit Gemarteld Antwerpen. Sinjorenstad onder de V-bommen. Door Jan de Schuijter, Uitgaven De Palm, Antwerpen, blz. 29-31