|
Het einde van een monument
KADOC Documentatie, maart-april 2002
De Ploegstraat
Het KADOC voerde tijdens de afgelopen weken een omvangrijke documentaire operatie uit in het dominicanenklooster in Antwerpen.
Dit gebouw in de Ploegstraat is onlosmakelijk verbonden met de rijke geschiedenis van het katholieke leven in de Scheldestad.
Het klooster huisvestte niet enkel tal van bekende dominicanen, maar was bovenal de uitvalsbasis voor verschillende lekenwerken en apostolaatinitiatieven, waarvan de invloed tot ver buiten de stad reikte.
De dominicanen (ordo fratrum praedicatorum, afgekort OP) kunnen in België terugblikken op een zeer rijke geschiedenis tot diep in de Middeleeuwen (1220).
Tijdens de Franse Revolutie werden alle kloosters gesloten van de vroegere Nederduitse provincie Germania inferior. Pas in 1835 werd in Gent opnieuw een gemeenschap gevormd.
Vandaaruit werden huizen geopend in Tienen (1843), Leuven (1856) en La Sarte (1860). Die gemeenschappen vormden in 1861 een zelfstandige Sint-Rosaprovincie.
Tijdens de volgende decennia werden in Vlaanderen nog kloosters opgericht in Lier, Oostende en Brussel.
In Antwerpen, waar de dominicanen nochtans voor de Revolutie stevig waren ingeplant en vanuit hun Sint-Paulusklooster (1243) aan de Veemarkt zeer sterk betrokken bleken in de stedelijke zielzorg en caritas, liet de terugkeer lang op zich wachten.
De dominicanen bouwden er wel twee bloeiende afdelingen van hun derde orde uit, een Vlaamse (1868) en een Franstalige (1882).
Pas in augustus 1905 vestigden zich opnieuw enkele paters in de Milisstraat. Enkele jaren later konden in de Provinciestraat en in de Ploegstraat een paar aansluitende panden en terreinen worden aangekocht.
Daar werd onmiddellijk een noodkerk ingericht. In 1912 startte de gemeenschap met de bouw van een nieuw klooster, opnieuw gewijd aan Sint-Paulus. De plannen van de klooster- (en latere parochie)kerk werden in 1914 goedgekeurd, maar de bouw ervan zou pas in 1925 starten.
Beide bouwwerken werden ontworpen door Louis Corthouts. Die Leuvense architect werd gevormd in het atelier van Pieter Langerock en bouwde samen met pater Biolley vanaf 1902 andere kloosters voor de dominicanen, namelijk in Brussel, Saint-Servais, Saulchoir, Luik, Dinant et Pilzen (Tsjechië).
Na zijn overlijden in 1925 werd de kerk afgewerkt onder leiding van de Antwerpse architect Frans Mertens.
De "Ploegstraat" werd al snel een begrip in katholiek Vlaanderen.
De nieuwe dominicanengemeenschap in Antwerpen werd in februari 1913 formeel als klooster erkend.
Ook de Belgische missieprocuur (een logistiek secretariaat ten behoeve van de dominicaanse missionarissen) werd in de Ploegstraat gevestigd.
Bij de stichting en ook later kreeg de gemeenschap veel steun van haar buur, de koekjes- en chocoladefabriek van Eduard Jacobus De Beuckelaer.
Het machinegedruis van die onderneming en de weeë chocoladegeur moesten de paters er wel bijnemen.
De Antwerpse dominicanengemeenschap telde nooit meer dan 25 leden, maar het klooster bouwde wel een sterke lekenwerking uit.
Het nationaal secretariaat van de dominicaanse derde orde was lange tijd in Antwerpen gevestigd.
De twee Antwerpse afdelingen werden in 1925 samengesmolten.
Teneinde de volksmassa te bereiken, volgden nog diverse andere devotionele en apostolaatsinitiatieven.
De eerste overste, Josephus Schmitt, richtte al in 1905 een Broederschap van de Allerheiligsten Rozenkrans op.
De Antwerpse dominicanen, met voorop Louis Van den Bogaert, waren sleutelfiguren in de katholieke matigingsbeweging, de Federatie van Katholieke Anti-alcoholische bonden van België (1902) en het tijdschrift Sobriëtas.
De dominicanen vormen een bedelorde waarvan de leden een doorgedreven intellectuele vorming en roeping weten te paren aan ascese en stadsapostolaat.
Ze werden ook in Antwerpen zeer gesmaakt als predikanten.
De dominicanen stonden eveneens bekend voor hun bekeringswerk onder niet- of andersgelovigen.
Nadat in 1905 het "Algemeen Werk der Geloofsverdediging" van pater Gregorius Van Nieuwelande uit Lier naar Antwerpen verhuisde, groeide "de Ploegstraat" uit tot het belangrijkste apologetisch centrum in Vlaanderen. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog ontplooide Geloofsverdediging
een hele waaier aan activiteiten: studiekringen, lezingen en lessenreeksen, bibliotheek en uitleendienst.
Mede onder impuls van pater Julius Perquy, de latere directeur van de Centrale Hogeschool voor Christelijke Arbeiders in Heverlee, werden door Geloofsverdediging en haar uitgeverij en boekhandel "'t Groeit" diverse periodieke publicaties en reeksen gestart, bv. Zielzorg voor onze tijd , Ons Geloof en Pastor Bonus.
Uit het jongerenblad Onze Jeugd (1920-1933) groeide het tijdschrift Geloof en Wetenschap, later Thomistisch Tijdschrift voor katholieke Kultuur en uiteindelijk Kultuurleven (1934).
De uitgeverij publiceerde ook volksdevotionele literatuur en tal van theologische en sociale studies.
Ze realiseerde een volledige Nederlandse vertaling van de Summa van Thomas van Aquino.
Geloofsverdediging publiceerde vanzelfsprekend ook veel apologetische traktaten en werd in het interbellum een belangrijk ankerpunt van de katholieke anticommunistische actie.
Interessant voor de studie van de katholieke apologetiek in de eerste decennia van de 20ste eeuw is het tijdschrift De Waarheid (1908-1940), evenals de diverse andere organen van de (ook in de Ploegstraat gestichte) Offensief-beweging en -brigaden, tijdens de jaren 1930 onder de dynamische leiding van pater Felix Morlion.
De Antwerpse dominicanen waren in de jaren 1930 ook nauw betrokken bij de Katholieke Filmactie.
Voor humaniora-, normaalschoolen handelsschoolstudenten werd in 1930 naar Gents voorbeeld een Sint-Thomasgenootschap opgericht.
Diverse Antwerpse dominicanen engageerden zich in de Katholieke Vlaamse Hogeschool voor Vrouwen.
Aanknopend bij het vooroorlogse blad De Ster (1906), startte pater Frans-Bertrand Janssens in de Ploegstraat in 1941 zijn parochieblad De Stem uit het Vaderhuis, de voorloper van het huidige Kerk en Leven. Na de Tweede Wereldoorlog opereerde uitgeverij De Ploeg vanuit Antwerpen.
In het klooster van de Ploegstraat verzamelden Ambrosius Bogaerts en een aantal medewerkers gegevens over de rijke geschiedenis van de orde, wat resulteerde in de publicatie Bouwstoffen voor de geschiedenis van de Dominicanen in de Nederlanden (1969-).
Het is slechts een greep uit de talloze initiatieven, tijdschriften en werken die vanuit de Ploegstraat zijn ontstaan en gegroeid.
Een speciale vermelding verdient de
Katholieke Geloofspersactie (1933),
later veelal Apostolaat van de
Grootstad (AGRO) genoemd. In
AGRO werden geëngageerde leken
samengebracht, die via huisbezoeken
en de verspreiding van tijdschriften
en "stichtende" lectuur de armoede
en ontkerkelijking in de grootstad
wilden tegengaan. De leiding was
in handen van pater Ireneus Luyts,
later Jozef De Fleurquin. Er werden
paas- en Sint-Niklaasfeesten georga niseerd,
er vonden recollecties
plaats en in 1939 werd ook een reizende
volksbibliotheek opgericht.
Het archief van AGRO was reeds
enkele jaren geleden bij het KADOC
in bewaring gegeven (zie Nieuwsbrief,
december 1999).
Toen de plannen van de orde om
het gebouw in de Ploegstraat te verlaten
concrete vorm aannamen,
werd contact gezocht teneinde ook
voor de andere collecties een verantwoorde
bestemming te vinden.
Prospectie leerde dat zich in het
gebouw een rijke huisbibliotheek
bevond, evenals stocks van de daar
gevestigde uitgeverijen, archivalia
en boekenverzamelingen van diverse
individuele leden. Ook m.b.t. het
Rozenkransapostolaat en een paar
andere "werken" kon nog belangwekkend
archief worden overgedragen.
Al deze documentaire bestanden
kunnen, na verwerking, worden
geconsulteerd op het KADOC. Voor
de betrokken archivalische eenheden
is de voorafgaande toestemming
vereist van de bewaargever.
De gebouwen aan de
Ploegstraat
Tijdens de operatie in de Antwerpse
Ploegstraat besteedde het KADOC-team
ook ruime aandacht aan de
gebouwen en hun geschiedenis.
Zij vormen immers de materiële bron
bij uitstek om het dagelijks leven van
de communiteit te doorgronden.
Aangezien de gebouwen binnen
afzienbare tijd een andere bestemming
krijgen, werd besloten om een
survey te maken aan de hand van
een gedetailleerde fotografische
reportage en een opmeting.
Het kloostercomplex in de Ploegstraat
vertoont een onregelmatige
plattegrond, een gevolg van de
beschikbare percelen bouwgrond.
De kerk staat aan de Provinciestraat,
terwijl de ingang van het klooster
zich aan de Ploegstraat bevindt.
De twee percelen staan bijna haaks
op elkaar en komen in het midden
van het blok samen. Daar bevindt
zich ook een kloostertuintje, echter
niet omringd met gangen. Naar het
zuiden is de tuin open. Vroeger
bevond zich daar een repetitieruimte
voor het koor, met toegang vanuit
de Kievitstraat. De twee vleugels van
het convent, respectievelijk vier en
drie bouwlagen hoog, strekken zich
aan de noord- en westkant van de
tuin uit. Via een lange gang met
spreekkamers bereikt men de hoofdingang
aan de Ploegstraat. Aan de
oostkant staat een rechthoekige
kapel die werd gebruikt door de
broederschap. Langs de kerk leidt
een gang vanuit de Provinciestraat
tot in deze kapel. Andere gangen
leiden van het klooster naar de
sacristie enerzijds en naar het koor
anderzijds. Het koor is een rechthoekige
ruimte die aan de kop van de
kerk staat, d.i. achter het sanctuarium
met het hoogaltaar. De driebeukige
kerk strekt zich uit tot de
Provinciestraat en is dus niet georiënteerd.
De eerste bouwfase (1910-1914)
omvatte de panden aan de
Ploegstraat en de twee kloostervleugels.
Het geheel is functioneel doch
stijlloos opgevat, met metselwerk in
baksteen, betonnen vloeren en platte
daken. De grote ramen en het rationele
circulatiepatroon, evenals de
verhoudingen van de vertrekken en
gangen, zorgen voor het algemene
comfort. Boven de spreekkamers van
de vleugel leidend naar de hoofdingang
bevinden zich twee verdiepingen
met vergader- en leslokalen.
Ze zijn toegankelijk via een afzonderlijke
trap, buiten het slot.
Hier waren ook de secretariaten
gevestigd van de diverse lekenorganisaties
die de Ploegstraat rijk was.
Achter de doorgang naar het slot
loopt een overwelfde gang die alle
gemeenschappelijke kloostervertrekken
op de begane grond verbindt:
leeszaal, recreatiezaal, trappenhuis,
linnenkamer (oorspronkelijke keuken)
en refter. Op de verdiepingen bevinden zich 25 kamers, een ziekenkamer,
sanitaire installaties, archiefruimtes
en de bibliotheek. Die laatste
ruimte heeft een betonstructuur met
twee niveaus galerijen rond een centrale
met een lichtkap bedekte opening.
In de tweede bouwfase (1925-1930)
werden het paterskoor en de Sint-Dominicuskerk
opgetrokken. Hier
zijn wel laat-neogotische stijlkenmerken
aanwezig in de vormentaal van
structuur en decoratie. Tussen koor
en sanctuarium is de wand opengewerkt
met een groot gotisch maaswerk,
dat als koorafsluiting fungeert.
Aan weerskanten van het sanctuarium
bevinden zich de sacramentska pel
en de rozenkranskapel met rijke
altaarstukken. De basilicale ruimte
van het zes traveeën lange schip
heeft zijn rijzig karakter te danken
aan de hoge zijbeuken en de slanke
marmeren zuilen. De maaswerkvensters
van de zuiderzijbeuk bieden
een grote lichtinstroom. De in de
kerk aanwezige beelden van
Dominicus, Thomas van Aquino en
andere (vooral dominicaanse) heiligen
vertonen een interessante iconografische
samenhang. Het topstuk
van dit predikhereninterieur is ongetwijfeld
de preekstoel, een werkstuk
uit 1930 van Bruno Gerrits.
Op 28 november 1944 werden koor
en sanctuarium door een V2-bom
getroffen. Als gevolg van de oorlogs-
schade werden koor, sacristie, broederschapskapel
en keuken heropgebouwd
of -ingericht. Zowat alle glasramen
werden na de oorlog vervangen
door nieuw werk van de glazenier
Abram Stokhof-de Jong. Vooral
de dominicaanse heiligen, afgebeeld
in de broederschapskapel, verdienen
hier aandacht.
(PH/THOC)
|