De Ploeg: Visie

Red de kievit!
Wie wil verantwoordelijk zijn voor een stedenbouwkundige ramp?
Een ultieme oproep tot toekomstgericht handelen

Nota De Ploeg, 7 november 2004

Dit is de volledige nota.
Ga naar de samenvatting van de nota

Inleiding

Achter de Zoo van Antwerpen – tussen de dierentuin, de spoorweg, het kantoorcomplex van de Vlaamse overheid en de Lange Kievitstraat – lag decennialang het immense Kievitplein te verkommeren. In een hoek ervan stond het Switelhotel met daar omheen een grote open ruimte die diende als parkeerterrein en sluikstort. In de omliggende straten heerste leegstand en verkrotting, in de hand gewerkt door een samenspel van politieke onverschilligheid en speculatie door projectontwikkelaars en NMBS-Eurostation (want stedelijk verval komt er niet vanzelf). Het is daarom een goede zaak dat het Kievitplein eind de jaren negentig eindelijk een nieuwe invulling toebedeeld kreeg, nadat beslist was dat de HST tot in Antwerpen-Centraal rijden zou. Ook de zeven lokale buurtcomités juichen de vernieuwing van deze lang verwaarloosde maar voor Antwerpen uitermate betekenisvolle plek toe.

Ze verzetten zich echter tegen de kortzichtige manier waarop de projectontwikkelaar, in samenspraak met de overheden en de toekomstige hoofdhuurder, dit stukje Antwerpen wil uitbouwen. Bouwpromotor Robelco, het Vlaamse gewest, het Antwerpse college en het telecombedrijf Alcatel bewijzen Antwerpen in het algemeen en de toekomstige gebruikers van de nieuwe stadszone in het bijzonder immers geen dienst door eenzijdig te kiezen voor een quasi-monofunctionele, pleinloze kantoorwijk met lange blinde gevels, doodlopende wandelstegen en een ‘lege’ sfeer na de werkuren. Antwerpen heeft nood aan een levendige face-lift in het hart van de stad, niet aan een tweede Brussel-Noord. De Kievitbuurt hoopte op aansluiting bij het nieuwe dat er komen zou. Wat de buurt krijgt is een kantoormassa die zich afwendt van de onmiddellijke omgeving.

Al enige jaren verenigd onder de noemer Van Kievitaal Belang en sinds deze zomer ook in De Ploeg weigeren de buurtcomités zich neer te leggen bij wat gaandeweg verwerd tot een ordinaire vastgoedoperatie, waarbij de overheid zelf wettelijke voorschriften terzijde schoof om een privé-initiatief ter wille te zijn. Concreet liet de stedelijke overheid de projectontwikkelaar bepalen hoe een gebied van 12.000 m² bouwoppervlakte op een A-locatie in volle stadscentrum zou ingevuld worden, waarna de Vlaamse overheid in functie daarvan een wettelijk kader liet opstellen, dat op cruciale punten bovendien zo vaag gehouden werd (= de wetgevende macht als zichzelf opheffende regulator) dat de bouwheer er alle kanten mee uit kon. Het is de wereld op zijn kop en een kaakslag voor duizenden Antwerpenaren die in en rond de Kievitbuurt wonen. De burger die een tuinhuis wil bouwen of een boom wil vellen, moet zich aan een strikte regelgeving onderwerpen. Voor de grootste naoorlogse bouwwerf in Vlaanderen (uitgezonderd infrastructurele werken) gelden echter andere criteria. Hier is simpelweg sprake van een democratie met twee snelheden.

De aanklacht betreft dus niet alleen het gebrek aan stedenbouwkundige kwaliteit van het geplande Kievitproject (het hart van Antwerpen) maar ook het schijnspel van inspraak en de op zijn minst slordige omgang met de voorgeschreven procedures die de hele beslissingsronde kenmerken (het hart van de democratie). De buurtcomités betreuren het dat de burger en de adviserende instanties die de civiele samenleving vertegenwoordigen stelselmatig bedrogen of op een zijspoor geschoven werden, en roepen alle geïnteresseerde partijen - politici, planologen, stedenbouwkundigen, projectontwikkelaars, gemachtigde ambtenaren, architecten, sociologen, journalisten – op om alsnog hun verantwoordelijkheid op te nemen.

Verschillende Antwerpse schepenen en gemeenteraadsleden hebben zich de voorbije maanden voluit ingezet om het nabijgelegen kloostercomplex in de Ploegstraat van de sloophamer te redden. Nu is de tijd aangebroken om met eenzelfde inzet een volgende, gedurfder stap te zetten.

Recentelijk nog klasseerde het weekblad Zone 03 het geplande Alcatel-complex op het Kievitplein als ‘de laatste vergissing die Antwerpen stedenbouwkundig gemaakt heeft’ (6 oktober 2004). Architect Jo Crepain had het over ‘een miskleun’. Eerder noemde Vlaamse bouwmeester bOb van Reeth het nieuwe Kievitplein ‘knoeiwerk’ en het resultaat van slecht beleid. Socioloog Evert Lagrou vond dat ‘de leefbaarheid van een belangrijk stadsdeel werd opgeofferd’ en ‘dat betekent ’s avonds gegarandeerd gelijkaardige problemen als in de Brusselse Noordwijk’ (Trends, 20 mei 2004: ‘Het Antwerpse Kievitplein: fiasco in de maak?’). In een werknota had de Bond Beter Leefmilieu het dan weer over ‘een ramp voor de Antwerpse binnenstad die zich er aan het voltrekken is’ (september 2004). Welke Antwerpse beleidsverantwoordelijken geven zomaar hun goedkeuring aan knoeiwerk, om er nadien nog jarenlang mee geassocieerd te worden? Welke bouwpromotor bouwt zo halsstarrig een miskleun? Wie wil in een rampgebied werken? Of ernaast wonen? De buurtbewoners alvast niet. Zij geloven niet in het bewust begaan van een vergissing die nog gebouwd moet worden en trekken daarom aan de alarmbel, voor het definitief te laat is. Met de herinrichting en nieuwe invulling van het Kievitplein krijgt Antwerpen een unieke kans. We mogen die niet missen.

Voor antwoorden op hun vragen en oplossingen voor de gestelde problemen richten ze zich in eerste instantie tot de projectontwikkelaar, de belangrijkste ‘bouwheer’ (Alcatel), het stadscollege en de bevoegde Vlaamse minister van ruimtelijke ordening, maar ook tot de directie van de dierentuin en de NMBS, als aanpalende partners. Tegelijk willen ze het brede publiek mobiliseren. Als betrokken burger – zo ervoeren de buurtcomités in de voorbije jaren – word je bij dit soort grootschalige operaties vaak beleefd buitenspel gezet. Je wordt vrijwel gedwongen om via pers, parlement (vragen en verzoekschriften) en zelfs het gerecht (van stakingsvordering bij de rechtbank van eerste aanleg tot klacht bij de Europese Commissie) je gram te halen, alleen maar omdat je duurzame stadsontwikkeling verkiest boven het korte-termijnrendement. Het is een evolutie die de bewonersgroepen zelf met pijn in het hart moeten vaststellen.

Tijdens de voorbije jaren groeide bij de lokale buurt- en actiecomités een pessimisme over de wil van de overheden om de geplande ontwikkeling van de Kievitwijk te kaderen binnen een goed doordachte en voor meerdere partijen aanvaardbare visie. De bewoners beseffen dat dit soort pessimisme zich gemakkelijk vertalen laat in antipolitieke gevoelens. Onder andere dit besef sterkt hen in de overtuiging dat je als bewonersgroep een punt kan bereiken waarop stilzwijgend toezien de antipolitiek alleen nog meer dreigt te voeden. Niet handelen wordt dan schuldig verzuim ten aanzien van de maatschappij. Wie blijvend wijst op gemiste kansen verwoordt tenminste de hoop dat de dingen nog veranderen kunnen. Door hard en radicaal aan de alarmbel te trekken open je misschien de weg naar een structurele aanpak van de problemen, die deels te herleiden zijn tot gevolgen van onbehoorlijk bestuur.

Een beter en meer transparant beleid dient nu eenmaal afgedwongen: het is nooit anders geweest. Wie aan de legitimiteit van de gevoerde politiek zelf raakt krijgt de dingen in beweging. Tegelijk willen de buurtcomités met een grondig gemotiveerde stedenbouwkundige analyse en een visueel tegenvoorstel aantonen dat ze niet verzuurd bij de pakken blijven zitten, dat er nog andere, constructieve manieren zijn om de druk te verhogen dan het incidentele succes van de antipolitiek. Ze weten zich daarin gesteund door politici die zelf vragende partij zijn in de zoektocht naar opener en meer dynamische manieren (dan de zoveeljaarlijkse stembusgang en de obligate infoavond) om de bevolking te betrekken bij beslissingsprocessen.

Ze laten zich daarbij graag inspireren en ondersteunen door het Antwerpse open burgercollectief StRaten-Generaal , de Bond Beter Leefmilieu en de Voetgangersbeweging, die niet alleen solidair zijn in de verontwaardiging maar tevens dossierkennis inbrengen en mee de schouders zetten onder het verbreden van het vizier en het daarbij horende netwerk. Het is goed dat dergelijke instanties zich associëren met bepaalde vormen van bewonersprotest, want anders dreigen burgers zich wel eens te verliezen in het particuliere karakter van een dossier (= belangrijk voor de buurt), waarbij de aandacht verslapt voor wat structureel fout loopt. Zo kunnen buurtverenigingen ontdekken dat wat zich in hun achtertuin voltrekt geen alleenstaand geval is, waardoor ze zich minder eenzaam in de strijd voelen.

Vaak constateren buurtbewoners ook dat velen van goede wil niet weten waar het eigenlijk om gaat. Omdat De Ploeg het zonde vindt dat zo’n belangrijke stedenbouwkundige ingreep niet het voorwerp werd van een brede discussie en in de hoop dat een diepgaande doorlichting van het dossier als breekijzer leiden mag tot een transparanter besluitvorming in het bijzonder en een mentaliteitswijziging bij overheden en projectontwikkelaars in het algemeen (want het Kievitdossier is geen unicum), wordt hier alles nog eens op een rij gezet. Wat zit fout in de geplande invulling van het Kievit-bouwproject en wat was er dan wel zo goed aan het oorspronkelijke masterplan (zie A.)? Wat verwachten de buurtcomités in deze late fase (zie F.) nog van de bouwpromotor, de ‘bouwheer’, de overheden en de directie van de dierentuin (zie B.)? Waarom stimuleert een overheid die belangengroepen op hun wenken bedient en daarbij de civiele samenleving negeert alleen maar de antipolitiek (zie D)? Waarom vermoedt De Ploeg dat het hier gaat om een van de grootste bouwmisdrijven die Vlaanderen ooit kende, mede door de bijna niet voor mogelijk geachte veelheid aan procedurele onregelmatigheden (zie E.)? En vooral: hoe kan het streven naar kantoorbouw én naar een levendige stadscultuur met aandacht voor de noden van bewoners, betrekkers en bezoekers toch gecombineerd worden in één alternatief voorstel (zie C.)?

Onvermijdelijk in dit soort analyses is het gebruik van een door stedenbouwkundigen gehanteerd jargon. Begrippen als ‘monofunctioneel’, ‘doorwaadbaarheid’ of ‘footprint’ hebben het voordeel dat ze erg duidelijk zijn voor wie ermee vertrouwd is, maar tegelijk komen ze nogal abstract over bij de leek. Dat is meteen een van de redenen waarom het grote publiek meestal pas hoogte krijgt van wat een bouwproject te bieden heeft nadat dit project effectief gebouwd is en te bezichtigen of ervaren valt. Maar dan is het natuurlijk te laat om nog bedenkingen te formuleren, laat staan verzet aan te tekenen. Ook de juridische en technische aard van stedenbouwkundige dossiers bemoeilijken de vertaling naar de publieke opinie. Vandaar dat weinig lokale politici zich echt bezighouden met planologie en ruimtelijke ordening, want het is electoraal oninteressante materie. Vandaar ook dat de media veelal pas berichten over een grootschalig bouwproject wanneer er door de opdrachtgever aangeleverd visueel materiaal voorhanden is (een maquette die het fantasieloze van de nieuwbouw niet weergeeft, een schets die het zielloze karakter van de nieuwe wijk camoufleert). Dan zitten we doorgaans echter al in de laatste fase van het hele proces, wanneer de plannen zijn gefinaliseerd, de vergunningen geleverd en de aannemers gecontacteerd.

Al te vaak blijft het brede debat over de architecturale kwaliteit en de sociale impact van geplande bouwprojecten daarom uit. Ook deze keer.

A. Waarom is de geplande invulling van het Kievit-bouwproject een regelrechte schande?

In 2000 won het internationaal gerenommeerde Rotterdamse architectenbureau MVRDV een door het stadsbestuur aangevraagde wedstrijd. De opdracht luidde: werk een eigentijds en samenhangend masterplan uit voor de geplande ontwikkeling in de Kievitwijk. Voor vier te ontwikkelen bouwzones (waaronder het voormalige Kievitplein ofwel zone A) tekende het bureau een intelligent stedenbouwkundig concept, met bijzondere aandacht voor kwaliteitsvolle architectuur, een gemengde invulling en verbondenheid met de omliggende wijk. Op 4 en 25 mei 2000 werd deze studie door het stadscollege aanvaard en goedgekeurd als visie en ruimtelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Deskundigen loofden het masterplan.

Begin 2002 echter werd de stuurgroep die waken zou over de kwalitatieve uitwerking van het vastgoedproject – en waarin samen met vertegenwoordigers van de stad, de NMBS en AROHM (= het Vlaamse niveau) vier onafhankelijke professoren zaten – voortijdig opgedoekt. Bovendien verdwenen de voorstellen van MVRDV stilletjes in de onderste lade van bestuur en bouwpromotor. Ze strookten immers niet met wat de projectontwikkelaar en de kandidaat-huurder (Alcatel) inmiddels eisten, en de Vlaamse overheid nam daar akte van. ‘In het algemeen belang’ verhuisde het dossier en de beslissingsbevoegdheid daarop van het stadscollege naar de minister van Ruimtelijke Ordening.

Eerst werd op 6 februari 2002 nog opdracht gegeven door het college om een bijzonder plan van aanleg op te stellen dat rekening hield met ‘de door nv Alcatel Bell opgestelde behoeften inzake kantoorruimte, flexibiliteit en bereikbaarheid.’ Enkele maanden later was men plots een andere mening toegedaan: ‘Het is juridisch niet noodzakelijk een bijzonder plan van aanleg vast te stellen voor de toekenning van de bouwvergunning,’ lezen we in een nieuw collegebesluit over de huisvesting van Alcatel op het Kievitplein (8 mei 2002). Op 3 juli 2002 keurde het college vervolgens principieel de inplanting en het volume voor de geplande Alcatelgebouwen goed, op basis waarvan de Vlaamse regering achteraf ‘als kader voor de ontwikkeling van de omgeving’ een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) ‘Stationsomgeving Antwerpen Kievitplein’ liet opmaken. Zo staat het vermeld in een collegebesluit van 9 januari 2004: na de goedkeuring van het concrete en vrij gedetailleerd beschreven concept werd het wettelijk kader ervoor uitgewerkt. Het is bijna een provocatie om het zo zwart op wit te formuleren in een officieel document.

Dit alles is op zijn minst bizar, gegeven de bedoeling van het decreet ruimtelijke ordening van 1999. Voordien was er het systeem van gewestplannen en BPA’s (bijzondere plannen van aanleg) als planningsinstrumenten. In de praktijk bleken die vaak te statisch en te zeer op maat van belangengroepen geschreven. Daarom werden ze vervangen door structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen, die een lange-termijnvisie moesten uitstralen en minder à la tête du client zouden worden opgesteld. Uit het Kievitdossier leren we dat nieuwe systemen en bijhorende decreten niet per definitie leiden tot een mentaliteitsverandering, en al zeker niet in de nog verwarrende overgangsfase tussen de oude en de nieuwe wetgeving. Uitgerekend het door het Vlaamse Gewest opgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan (= GRUP) ademt de oude geest uit – wat willen we bouwen (een kantoorwijk) en hoe gaan we dat verantwoorden? – terwijl het masterplan en het deels voorbereide BPA de toekomstgerichtheid vertolken, met name: wat kan de buurt aan qua grootstedelijk vernieuwingsproject?

In dit concrete GRUP (2003) werd bovendien ruimte geschapen voor wat kenners van de materie de salamitechniek of de ‘gesaucissonneerde’ aanpak noemen. Wanneer je het hele project deelgebied per deelgebied behandelt, krijg je gemakkelijker en sneller de nodige vergunningen en vermijd je eventuele beperkingen. Zo legt de Europese Commissie een MER (milieu-effectenrapport) op voor alle belangrijke stadsontwikkelingsprojecten. Om ontduiking van die regel te voorkomen hanteerde Europa bepaalde criteria (dichtbevolkt gebied, nabijheid van monument, …) en geen concrete cijfers. Vlaanderen kwantificeerde desondanks de criteria, waarvan ‘minstens 100.000 m² kantoorruimte’ er een werd. Nu is in zone A alleen al ruim de helft daarvan vergund. Hoe moet de verdere verdeling nog verlopen in de zones B, C en D, waar Eurostation, de vastgoeddochter van de NMBS, aan kantoorontwikkeling wil doen? Ook wat dit betreft gaat het Kievit-GRUP tegen de geest van het decreet van 1999 in: zone A wordt ontwikkeld zonder dat vastligt wat op de drie andere zones gaat gebeuren.

Tijdens het openbaar onderzoek rond het voorontwerp van het GRUP diende de NMBS, als belangrijkste eigenaar van de gronden in zones C en D, logischerwijs het volgende bezwaarschrift in: ‘De bouwvolumes per blok (cfr. het MVRDV-ontwerp) dienen vermeld vanuit het standpunt van de globale leefbaarheid van de stationsomgeving en de mobiliteit rondom het HST-station en omdat het ontbreken van rechtszekerheid leidt tot onevenwichten tussen de verschillende actoren-grondbezitters.’ Onbegrijpelijk is dat de Vlacoro (Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening) dit bezwaar niet bijtrad.

De Gecoro (Gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening) drong wél aan op een gezamenlijke benadering binnen het GRUP: ‘De verschillende zones worden in het GRUP afzonderlijk bekeken; ook de inrichtingsrapporten worden uitgewerkt per zone. Door de onderdelen te beschrijven wordt het geheel uit het oog verloren. De Gecoro vraagt om de inrichtingsrapporten van elke zone te linken met de overige zones, zodanig dat de ontwikkeling van de ene zone betrokken wordt op de ontwikkeling van de andere’ (advies van 9 januari 2003).

In een bijkomend bezwaarschrift motiveerde de NMBS concreet waarom het apart behandelen van elke zone nefaste gevolgen zou hebben voor de leefkwaliteit binnen de wijk: ‘Het gemengd karakter dient tot uiting te komen in een algemene norm die voor elk bouwblok zou gelden en waarbij de omschrijving van het gemengd karakter niet te beperkt zou worden bepaald. Nu kan het A-blok zich beperken tot een puur commercieel project (hotel), voor andere blokken wordt de referentie naar woonblokken gemaakt. Het uitgangspunt van de gemengde benadering moet erin bestaan een leefbare stationsomgeving te creëren zowel overdag als ‘s nachts.’ Ook dit bezwaar kon Vlacoro niet bijtreden.

Voor de vier zones samen noch voor de wijk als geheel is overigens een maximaal aantal vierkante meter kantoren opgelegd in het GRUP. Zo ontbreekt het enige instrument om speculatie, verkrotting en de uitbreiding van kantoorfunctie in alle richtingen tegen te gaan, terwijl nu al betwijfeld wordt of de geplande bijkomende kantoorruimte verhuurd zal raken, gezien de bestaande leegstand. De beschikbaarheidsgraad op de Antwerpse kantorenmarkt nam toe van 3 procent (eind 2001) over 6,2 procent (2002) tot 10,7 procent in het tweede kwartaal van 2004 (De Tijd, 23 oktober 2004). Dat laatste komt neer op 184.000 m² nog op te nemen kantoorruimte ofwel het equivalent van drie Kievitzone’s A. Door geen plafond in te bouwen gooien de overheden dus niet alleen de lokale leefkwaliteit te grabbel maar ook de vitaliteit van de Antwerpse kantorenmarkt.

Een manco van het GRUP is dat de normeringen te vaag geformuleerd zijn. Dat merkte ook de Welstandscommissie op in haar advies van 9 januari 2003: ‘Gezien het krappe tijdsbestek (timing Alcatel) is er gekozen voor de opmaak van een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP), als enige juridische kader. Vandaar de eis dat het GRUP voldoende zekerheid moet bieden voor een kwalitatieve ontwikkeling. Dit GRUP is echter van een zodanig globale aard, dat het geen juridische vertaling van het stedenbouwkundig plan MVRDV genoemd kan worden. De principes die in het stedenbouwkundig plan aan de basis liggen, worden niet of onvoldoende meegenomen in het GRUP. Het laat natuurlijk een kwalitatieve ontwikkeling mogelijk, maar het biedt geen enkele garantie.’

Om die garantie is het uiteraard te doen, want anders is een GRUP overbodig. Ook de Antwerpse districtsraad legde de vinger op dezelfde wonde: ‘Het ruimtelijk uitvoeringsplan houdt onvoldoende rekening met de basisprincipes van het plan van MVRDV’ (advies 27 januari 2003). De Gecoro ging nog een stap verder: ‘Het project zoals het nu voorligt draagt het risico met zich mee dat de Antwerpse stationsbuurt zich zal ontwikkelen zoals de buurt van Brussel-Noord’ (advies 9 januari 2003).

Vier onafhankelijke academici die in de Stuurgroep Stedelijke Invulling Kievitsplein zetelden dienden begin 2003 eveneens een bezwaarschrift in om te wijzen op het zwakke karakter van het GRUP: ‘Enkele sluitstukken in het eenstemmig goedgekeurd en bijgestuurd ontwerp moeten via het RUP worden beveiligd. De mogelijke realisatie overlaten aan toevallige marktontwikkelingen kan de globale planoptie in gevaar brengen (…) In vergelijking met het MVRDV-ontwerp is de toegelaten bouwoppervlakte systematisch verhoogd (+21% in totaal). De bebouwingsdichtheid is nochtans niet alleen gegroeid uit een vormconcept, maar ook om de bereikbaarheid van de stationsingang te verzekeren. Dat kan door beperking van verkeersverwekkers, door de toelaatbare bebouwde oppervlakte te beperken en een menging van functies waardoor de verkeersspitsen gespreid worden (wonen en werken). (…) Het voorliggend plan laat massieve hoogbouw toe, daar waar het MVRDV-ontwerp uitdrukkelijk rekening hield met de kwetsbare 19de eeuwse omgeving door een verfijnde afwisseling van hoog- en laagbouw, open ruimten tussen gebouwen, maximale doorwaadbaarheid, maximaal te bebouwen oppervlakte. Het door de projectontwikkelaar voorgestelde project werd door de Stuurgroep verworpen en wordt nu mogelijk.’

In het GRUP voor de omgeving van het ‘Kievitplein’ werd het masterplan op vele punten een eerste keer uitgehold. Daarna volgde de ene bijstelling na de andere uitzonderingsmaatregel. In de huidige plannen voor zone A is van de vijf centrale uitgangspunten uit het door velen positief onthaalde MVRDV-masterplan uiteindelijk amper nog iets terug te vinden.

Daarin zag de Vlacoro alvast geen graten. In het advies bij het voorontwerp van het GRUP (27 mei 2003) merkte de commissie op ‘dat uit het feit dat het MVRDV-ontwerp mee aan de basis heeft gelegen van het ontwerp RUP, niet mag worden afgeleid dat de wezenlijke kenmerken uit dat MVRDV-ontwerp zouden dienen te worden overgenomen in het RUP of dat het MVRDV-ontwerp het toetsingskader zou moeten zijn voor het RUP en de latere inrichtingsrapporten’. In een antwoord op een bezwaarschrift ingediend door de joodse Gemeente en haar scholengemeenschap ging Vlacoro nog een stapje verder: ‘De commissie herinnert er daarbij aan dat hier een ontwerp RUP voorligt dat slechts minimumvoorschriften bevat en dat verder dient uitgewerkt te worden in inrichtingsrapporten. Met de noden van de Joodse gemeenschap kan rekening gehouden worden in die inrichtingsrapporten. Anderzijds beklemtoont Vlacoro dat niet uit het oog mag verloren worden dat het HST-station een poort is die van uitzonderlijk belang is voor de economische structuur van Vlaanderen, wat meebrengt dat plaatselijke belangen

Met die laatste opmerking is De Ploeg het fundamenteel oneens. Een intelligente, voor meerdere partijen aanvaardbare ruimtelijke ordening hoeft de vitaliteit van de economie niet aan te tasten. Plaatselijke belangen hoeven helemaal niet de Vlaamse uit te sluiten. Ze gaan net samen, per definitie en altijd en overal. Wie de twee tegenover elkaar plaatst, is verkeerd bezig.

  1. Voor de gehele Kievitbuurt (zone A t.e.m. D) suggereerde MVRDV een maximale bijkomende hoogbouwmassa van 127.440 m² vloeroppervlakte, met veel gestructureerde en uitnodigende open ruimte tussen de footprints van de gebouwen. Nu komen alleen al op zone A (= het Kievitplein) acht bouwblokken met in totaal zo’n 80.000 m² vloeroppervlakte of ruim 270.000 m³ volume. In plaats van naar een doordachte spreiding te streven in de hele wijk, wordt 8.000 m² bouwoppervlakte geconcentreerd op de 12.500 m² totale perceelsoppervlakte van het Kievitplein, dat – de lezer zal het intussen door hebben – wegens voor twee derden volgebouwd intussen al lang geen plein meer genoemd kan worden.

    Aan de Berlijnse Potsdammer Platz zag men pas achteraf dat de nieuwe wijk geen hart had. ‘Es gibt keine Mitte’ besefte men er plots. Ook op het Kievitplein-dat-geen-plein-meer-is zal de open ruimte als structurerend element ontbreken. Die ruimte was nochtans een van de belangrijke elementen uit het masterplan. Er komt dan wel een smalle, voor het publieke toegankelijke square tussen zes van de acht gebouwen, maar die zal weinig meerwaarde bieden na de kantooruren. In de VS noemen ze zo’n stedelijke gleuf die hooguit een half uur per dag zonlicht vangt een ‘canyon’. Wat De Ploeg betreft hoort canyonvorming thuis in de droge hitte van Arizona, niet in een stedelijke woonbuurt.

    MVRDV zag in ‘een fundamentele herwaardering van de openbare ruimte’ een ‘voorwaarde om het stedelijk wonen terug aantrekkelijk te maken.’ Vandaar een pleidooi voor veel open ruimte (65% tegenover 35% bebouwde oppervlakte, wat exact het tegenovergestelde is van wat er nu komt) en een zeer diverse invulling daarvan. In zone A werd plaats voorzien voor o.a. een speelpark, een skeelercircuit, tennisbanen, een straat vol banken en groen, een museum, een mosselstraat en een pittasteeg. In het steriele geheel dat nu gebouwd wordt is de openbare ruimte hooguit een noodzakelijk kwaad rond private ruimte. De gemeenschap wordt hier een cruciaal stuk potentieel aangename buitenruimte ontnomen.

    Dat terwijl het college in zijn besluit van 26 maart 2004 zelf erkende dat in de hele Kievitbuurt geen open ruimte is. ‘Nochtans wonen er veel kinderen en jongeren die nu noodgedwongen binnen of op straat spelen,’ lezen we. ‘De Kievitbuurt is het gebied tussen Kievitplein, Zoo, Pelikaanstraat/Simonsstraat (spoorwegbrug), Plantin & Moretuslei en Provinciestraat (C24). Er is geen aanbod voor vrijetijdsbesteding voor kinderen en jongeren en er is ook geen open ruimte in de wijk, zoals een pleintje, parkje of speelplekje. Bewoners klagen over overlast van kinderen die spelen op straat. Zij beschadigen auto’s en soms gevels en brengen zichzelf en andere weggebruikers in gevaar.’ In datzelfde besluit staat ter herinnering ‘dat het bestuursakkoord 2001-2006 benadrukt dat Antwerpen een kindvriendelijke stad wil zijn met ruimte voor kinderen en jongeren.’ De ontwikkeling van het Kievitplein toont aan dat ‘benadrukken’ dat je iets ‘wil zijn’ niet meteen betekent dat je dat ook wordt.

  2. MVRDV pleitte voor een doordacht verweven van functies en activiteiten (één derde wonen, één derde werken en één derde diensten). Concreet betekende dit voor zone A: 4 kavels wonen, 4 kavels diensten (hotel, zoo) en 2 kavels kantoren. In het masterplan had MVRDV het over ‘een hyperdiverse buurt’. Nu komen echter naast de bestaande Copernicuskantoren van de Vlaamse overheid – die zelf al een ‘organische’, levendige ontwikkeling van de wijk bemoeilijken en architecturaal openheid noch duurzaamheid uitstralen – 4 kavels Alcatelkantoren, 1 kavel businesscenter (= eveneens kantoren), 2 kavels diensten (hotel) en 1 kavel wonen. Tegenover ruim 70.000 m² nieuwe kantoor- en hoteloppervlakte staat een schamele 4.500 m² of een 60-tal hoofdzakelijk eenkamer-appartementen woonruimte (verhouding = 1/15), als decoratieve schaamlap. Deze verhouding weerspiegelt zich in de voorziene ondergrondse parkeerplaatsen, met o.a. 900 plaatsen voor Alcatel en … 50 voor ‘wonen’. Op 29 januari 2004 merkte de gemachtigde ambtenaar van AROHM in zijn advies op dat ‘uit de inrichtingsstudie blijkt dat hier voornamelijk kantoorfuncties zullen voorzien worden.’ Hij had gelijk. Alleen jammer dat hij daar verder geen aandacht aan schonk.

    Laat hierover geen misverstand zijn: de buurtbewoners verzetten zich niet tegen de komst van de hoofdzetel van Alcatel naar hun wijk. Het is zelfs niet de schaalgrootte van het bedrijf die hen zorgen baart. Wel de manier waarop de kantoorruimte ingeplant staat hypothekeert de kwaliteit van het toekomstige wijkleven. Met zijn kantoorfunctie domineert het bedrijf de helft van de bouwoppervlakte, met zijn ‘aanhorigheden’ (verwante functies in het business center en het hotel) drukt het een stempel op de andere helft. Met een minder bouwoppervlakte (= footprint) in beslag nemende inplanting (zie C. Een tegenvoorstel), die voldoende ruimte laat voor niet-kantoorgebonden functies, had het telecombedrijf heel wat kansen gehad om de pijler te worden van een bruisende stadswijk. Nu vormt het een probleem, ook voor zichzelf. De buurtbewoners vinden het raar dat de verantwoordelijken van Alcatel daar zo makkelijk aan voorbijgaan. Ook vragen ze zich af of de werknemers zich er wel van bewust zijn dat ze in een banale kantoorwijk zullen terechtkomen en niet in het hen ooit voorgehouden progressieve project. Voorspelbaar is het dat tijdens de lunchpauzes een grote uittocht zal plaatsvinden richting de De Keyserlei, want op het eigen ‘Kievitplein’ zal weinig te beleven zijn.

    Een kantoorwijk bouwen in volle stadscentrum is niet meer van deze tijd. Op Ground Zero worden naast kantoorfuncties ook (veel) woningen, theaterzalen, dansstudio’s, the Drawing Center en het Freedom Center (mensenrechten) ingeplant. Samen met de New Yorkers eisten de stadsbestuurders dat deze toplocatie in Manhattan ook na de werkuren een levendige plek zou blijven. Vandaar het cultuurcomplex. De Ploeg weet waarom het wel een Manhattan en geen Brussel-Noord wil. Ondanks de hoogbouw wordt Manhattan als een aangenaam stadsdeel ervaren. Enerzijds omdat de gebouwen aan brede lanen, pleinen, groenzones of het water liggen, wat het zicht erop vergemakkelijkt. Anderzijds omdat bij alle hoogbouw de bouwheer verplicht wordt om de vier laagste verdiepingen voor te behouden voor openbare (= publiek toegankelijke)functies, wat een aangename stadsomgeving garandeert. In het Kievitproject ontbreekt het zicht én de functieverweving.

    Een van de twee hotelkavels staat in het bij de bouwaanvraag gevoegde situatieplan opgegeven als ‘residentieel’. In werkelijkheid betreft het vergaderzalen en kleine en grote hotelkamers (zonder keuken en met inkom via de hotellobby). Door in plaats van ‘woonfunctie’ het begrip ‘verblijfsgelegenheid’ te hanteren laat het GRUP voldoende ruimte om de opgelegde voorwaarden (= ‘minimaal 30% van de vloeroppervlakte’ mag niet naar kantoren of diensten gaan) zo te interpreteren dat het bouwen van een gering aantal of zelfs geen woningen (d.w.z. waar gewoond wordt) volstaat.

    Dit vormt een schrale basis voor het versterken van het sociale weefsel. Hooguit een honderdvijftig mensen zullen gedomicilieerd zijn in wat op het gewestplan (KB 3 oktober 1979) ingekleurd stond als woongebied, tot het GRUP eind 2003 bepaalde dat de beperkende voorschriften van dit gewestplan dienden opgeheven. Het is een aanfluiting van de geest van het masterplan én van het GRUP, dat ondanks de bestemmingswijziging toch bepaalde dat er massaal gewoond moest worden (zonder evenwel speel- of recreatieruimte te voorzien voor de jeugd) met het oog op het verhogen van de sociale controle en dus het veiligheidsgevoel.

    In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen staat terecht dat kantoorgebouwen best nabij belangrijke knooppunten van openbaar vervoer worden ingeplant. Maar dat structuurplan zegt evengoed dat een scheiding van functies in stadskernen absoluut vermeden moet worden. In de geplande Kievitzone A zal dat ene kleine appartementsgebouw verloren staan in wat een kantoorwijk wordt. Het nieuwe stationsgebouw dreigt vooral een privé-toegangspoort voor het bedrijfsleven te worden.

    Dat het GRUP hier al te veel interpretatieruimte laat is ook de Gecoro niet ontgaan: ‘De Gecoro gaat akkoord met de basisidee dat verweving van functies noodzakelijk is om een kwalitatief en duurzaam stedelijk weefsel te creëren, maar meent dat de huidige formulering geen garantie biedt om zulks te bereiken. (…) De residentiële functies zijn zodanig bepaald dat de zwakste functie, met name het wonen, niet gegarandeerd is. In zone A is bijvoorbeeld minimaal 30% van de vloeroppervlakte gereserveerd voor woningen en hotel. Deze formulering garandeert of beschermt evenwel op geen enkele wijze de functie wonen. Immers, wanneer de functie hotel deze minimum vloeroppervlakte helemaal zou innemen, dan blijft er niets over voor de functie wonen. Dit is onaanvaardbaar in een zone waar een toegang voor het station is voorzien, waar veel passage is en waar sociale controle en veiligheid van belang is. De Gecoro meent dat de functie wonen zichtbaar en maximaal gegarandeerd moet worden in elke zone; daarom dient in elke zone een minimum van 30% van de vloeroppervlakte te worden gereserveerd voor de functie wonen’ (uit het advies van 9 januari 2003).

    De leden van de Welstandscommissie lieten zich evenmin om de tuin leiden: ‘Een gebied bestemd voor personeelsintensieve en bezoekersintensieve activiteiten, stedelijk wonen en openbare ruimten m.a.w. functiemenging is een uitgangspunt. Dit wordt “mogelijk” gemaakt, maar in te beperkte mate als voorwaarden vastgelegd. De minimale vloeropppervlakte voor woningen en horeca is 30% in zone A, (sic) zal leiden tot een verdringing van het wonen door een hotelfunctie en overige horeca. Het wonen dient uit minstens 30% te bestaan, met daarnaast mogelijkheid voor horeca functies, handel, etc.’ (advies 9 januari 2003). De Welstandscommissie vreesde een al te creatieve omgang met het begrip wonen en eiste daarom garanties, die er niet kwamen.

    Een echo hiervan weerklinkt in een door bewoners ingediend bezwaarschrift bij het openbaar onderzoek van het voorlopig GRUP (voorjaar 2003): ‘In zone A wordt naast de bezoekers- en personeelsintensieve functie 30% van de vloeroppervlakte voorbehouden voor wonen en horeca zonder de verhouding tussen deze laatste te verfijnen. Dit kan leiden tot een zeer beperkte invulling van de woonfunctie. De verhouding tussen beide functies dient wel vastgelegd.’ De Vlacoro trad dit bezwaar niet bij en liet de verordenende voorwaarden open door te verwijzen naar het nog op te maken inrichtingsrapport.

    In de toelichtingsnota bij het GRUP lezen we verder het volgende: ‘De verweving van stedelijke activiteiten vormt een belangrijk uitgangspunt bij de invulling van de stroken bebouwing. Dit geldt zowel voor de verschillende gebouwen binnen elke zone (horizontale verweving), als voor elk gebouw (verticale verweving). Als resultaat van de interactie tussen het openbaar domein en de aangrenzende publieke functies op het gelijkvloers, ontstaat het stedelijk leven.’ Over de verticale verweving binnen de geplande bovengrondse blokken stelde de gemachtigde ambtenaar van AROHM in zijn advies dat die ‘eerder beperkt’ was (29 januari en 17 februari 2004). Voor een optimale horizontale verweving moet volgens het GRUP per zone ‘minimaal 50% van de gelijkvloerse vloeroppervlakte voorzien worden voor wonen of voor publiek toegankelijke inrichtingen, voorzieningen en diensten.’ In werkelijkheid is volgens de Bond Beter Leefmilieu slechts 42% echt publiek toegankelijk. Want bij de berekening van de publieke ruimte werden in de door het huidige college goedgekeurde inrichtingsstudie voor de gelijkvloerse verdieping behalve horeca- en handelsruimte ook nog plaatsen zoals de in de praktijk alleen voor Alcatelpersoneel toegankelijke cyberlounge, vergader- en opleidingszalen, demoruimte en logistieke ruimte meegeteld.

    Probleem hierbij is dat het GRUP niet nader specifieerde wat wordt bedoeld met publiek toegankelijke ruimte, waardoor alle vertrekken waar je in principe als niet-betrokkene naar binnen kan onder ‘publiek toegankelijk’ vallen. Dat laatste vond blijkbaar ook de gemachtigd ambtenaar die een bezwaarschrift daaromtrent niet weerhield: ‘Het is mij niet duidelijk waarop de bezwaarindiener zich baseert, vermits deze ruimtes voor iedereen toegankelijk kunnen zijn. Het feit dat soms omwille van veiligheidsredenen de toegang kan geweigerd worden door Alcatel doet niets af aan dit principe’ (17 februari 2004). Deze man heeft duidelijk niet begrepen wat het begrip ‘publieke ruimte’ eigenlijk betekent, want op die manier worden alle bedrijfsruimten en zelfs alle woningen publieke ruimtes.

    Opnieuw signaleerde de Gecoro het gevaar van de vaagheid in het GRUP: ‘Daarom zou een aandeel van 70% in de gelijkvloerse gevellengte moeten voorbehouden blijven aan functies met een publieke uitstraling, zoals horeca, handel, kinderkribbe, postkantoor, enz., en/of aan de functie wonen’ (advies 9 januari 2003). De Welstandscommissie bleek eens te meer op dezelfde golflengte te zitten en ging zelfs nog een stap verder: ‘De gelijkvloerse oppervlakten (verdieping 0 en 1) dienen bestemd te worden voor publieke functies of wonen, de zogenaamde stedelijke plint genereert leven ten aanzien van het openbaar domein en creëert sociale veiligheid’ (9 januari 2003).

  3. Met vijf parallelle wandelassen dwars door zone A voorzag MVRDV een goede doorwaadbaarheid. Het is een principe dat werd bevestigd in de toelichtingsnota bij het GRUP, met dien verstande dat slechts een minimum van drie wandelassen opgelegd werd: ‘De doorwaadbaarheid van het gebied is een belangrijk uitgangspunt. Een “maximum” aan nieuwe straten, pleinen en doorsteken wordt gecreëerd binnen de stroken. Via deze straten, pleinen en doorsteken en nieuwe doorsteken onder het spoorwegbundel, wordt het woongebied ten oosten van het plangebied beter en sterker verbonden met het gebied ten westen van de spoorwegbundel.’

    In het concept van projectontwikkelaar Robelco zullen de twee noordelijk gelegen wandelassen echter onder- of ongebruikt blijven. Wandelas 1 (= de na aanpassing van de rooilijn anderhalve meter smaller gemaakte Ploegstraat) ligt tussen de lange blinde achtergevel van de zoo en de achterkant van twee geplande Alcatelgebouwen. De daaraan parallelle as 2 loopt tussen vier Alcatelgebouwen en wordt door een verbindingsatrium ofwel een transparante constructie in staal en glas en wellicht ook hekwerk afgesloten voor het publiek. In de praktijk zal de publieke ruimte in het noordelijk gelegen deel van de zone na de kantooruren gemeden of verboden terrein zijn.

    Op de andere helft van de zone moeten een 60-tal appartementen en een ondergrondse supermarkt doen vergeten dat het eigenlijk om een business- en hotelzone gaat, waarvan de twee lobby’s beide gericht zijn naar het station en dus weg van het midden. Ook op wandelas 3 tussen de Alcatelgebouwen en het businesscenter en op wandelas 4 tussen het center en de zijkant van het hotel zal het bijgevolg ‘rustiger zijn na de diensturen’ (dixit Ludo Bresseleers van de coördinerende Werkgroep Kievitplein in De Standaard, 16 september 2004). Slechts op de laatste, meest zuidelijke wandelas (= een stuk van de Lange Kievitstraat) zal na de werkuren nog regelmatige passage voorkomen. De rest van zone A wordt ’s avonds en in het weekend een spookwijk.

    Op de vraag aan een woordvoerder van Robelco of hier geen gevaar dreigt van troosteloze kantooranonimiteit (‘wat zijn de verwachtingen qua publiek gebruik van wat toch openbare ruimte is?’), werd gewezen op het belang van een goede verlichting en van bewakingscamera’s. Goede stedenbouwkunde is natuurlijk iets anders. Het hotel zou veel passage creëren, kregen we nog te horen. Dat klopt, maar niet toevallig plantte de bouwpromotor dit hotel in aan de rand van het project, met de ingang gericht naar de enige straat waar ook na de kantooruren een continue passage te verwachten valt, want bij Robelco weet men ook wel dat hotelgasten zich net als de omwonenden ’s avonds niet graag diep in een lege kantoorwijk wagen.

    Qua gebruik door de zachte modi (wandelen, fietsen) mist Antwerpen hier een enorme kans om van een centrale plek in de stad een aangename en zelfs uitnodigende doorgang- of vertoefplaats te maken. In het op 3 juli 2002 door het college goedgekeurde volumevoorstel heeft men het nog expliciet over een gemengde bestemming, ‘die door maximale sociale functies op het gelijkvloers, ook na de werkuren, een leefbare woonomgeving helpt creëren’. Nu wordt een bestaande breuk in het weefsel bestendigd: de Kievitwijk en een belangrijk stuk van Borgerhout zullen vanuit de stad enkel toegankelijk zijn via een dode kantoorwijk of via de niet minder doodse Ommeganckstraat (kantoren ABVV, blinde muren van de zoo, onteigende huizen). Dit is wat men planologie van de achterkant noemt.

  4. MVRDV benadrukte het belang van een goede verbinding met de zoo. Nu is en blijft de dierentuin een gesloten enclave zonder functionele verbinding met de Kievitwijk. Waarom niet van de projectontwikkeling gebruik maken om het gezicht van de zoo ook naar de zuidkant van Antwerpen te wenden? Al jaren bestaat de vraag om (en de impliciete belofte van) een tweede toegang tot de dierentuin vanuit de Kievitwijk. Het zou meteen een bijkomend visitekaartje voor de buurt betekenen. Over die tweede toegang wordt ook gewag gemaakt in het GRUP. Helaas komt het er maar niet van.

    Om de blinde zoogevel weg te werken suggereerde MVRDV een zoo-boskantoor tegen de lange muur aan de Ploegstraat. Twee vliegen in één klap: de anonieme, lelijke muur verdwijnt en in de plaats komt een mogelijke levendige invulling op de gelijkvloerse verdieping. Ook Robelco stelde voor om een deel van de zoogebouwen aan de Ploegstraat zo om te vormen dat daar ’s avonds activiteiten kunnen plaatsvinden. Daarmee volgde de bouwpromotor het advies uit de toelichtingsnota bij het GRUP: ‘De Ploegstraat grenst aan de blinde gevels van de gebouwen van de Zoo, en kan desgevallend opgeheven worden. Het is immers mogelijk om nieuwe gebouwen tegen deze blinde gevels aan te bouwen.’ Het bleven voorstellen waar verder niets mee gebeurde.

  5. MVRDV wilde de diversiteit in architectuur stimuleren door met verschillende architecten te werken. Ook in de toelichtingsnota bij het GRUP staat: ‘Een grote afwisseling inzake architectuur, volume, expressie, … van de gebouwen is wenselijk. Deze diversiteit kan bijdragen tot de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, en kan ondermeer worden bereikt door verschillende architecten een deel van het gebied te laten invullen.’ Alweer lippendienst, zo bleek, want vervolgens ging de opdracht voor de hele zone A naar 1 architectenbureau. Met als gevolg dat nu een weinig geïnspireerd geheel gebouwd wordt met lichte variatie in hoogte, kleur, materialen, gevelindelingen en glaspartijen.

    In juni 2003 meldde de Noord-Zuidkrant van de NMBS over de geplande Alcatelkantoren: ‘Het zullen alleszins geen saaie gebouwen zijn. De stad heeft aan de projectontwikkelaar gevraagd om met verschillende architectenbureaus samen te werken, zodat er voldoende afwisseling in de architectuur zal zitten.’ Op dat moment echter (sinds april 2003) lagen de door Jaspers – Eyers & partners gefinaliseerde plannen voor de acht gebouwen op zone A al klaar om opgenomen te worden in de bouwaanvraag! De goedgelovige Antwerpenaar werd andermaal platgeslagen met glanspapieren fictie. Intussen werkten de decision makers – blijkbaar niet ‘de stad’ – in stilte door aan de werkelijkheid. Het bestuurlijke vacuüm dat enkele maanden heerste n.a.v. de Visakaartencrisis heeft het Kievitdossier in die cruciale fase niet meteen vooruitgeholpen. Terwijl pers en politiek slechts aandacht hadden voor de perceptie over het kleine sjoemelen, voltrok zich ver van het publieke forum een reëel schandaal.

    Het architectenbureau Jaspers – Eyers & partners bouwde een reputatie op met architecturaal risicoloze prefabgebouwen van lage kwaliteit. Het tekende de helft van de kantoorblokken in de Brusselse Noordwijk. De toren van Belgacom, het Phoenixgebouw, de buildings van de Vlaamse Gemeenschap (Hendrik Conscience en Boudewijn), de North Gate, North Galaxy: het zijn alle schoolvoorbeelden van ongeïnspireerde, louter functionele architectuur. Ook het Wijnegem Shopping Center, het Cera-gebouw in de weiden vlak buiten Leuven, de Kredietbank in Molenbeek, het Proximusgebouw in Sint-Joost of de VTM-panden in Vilvoorde zijn niet meteen visitekaartjes voor het bureau. Geen enkel van die complexen is het vermelden waard in lijstjes van knappe architectuur. Net voor dat soort architectuur werd gepleit door zowel MVRDV als de opstellers van het GRUP. Een stadsbestuur dat dit laat gebeuren toont dat het zich niet bekommert om de ontwikkeling van een wijk. De potentiële uitstraling die een dergelijk grootschalig project kan genereren in binnen- en buitenland wordt onderschat. Velen vermelden steeds weer de ‘examples of good practice’ in Frankrijk, Spanje of Nederland, maar als het erop aankomt vervalt Vlaanderen toch steeds weer in het optrekken van zoveel mogelijk futloze bouwblokken.

    ‘Dat kantorencomplex is inderdaad een miskleun van jewelste dat er na elke bijstelling van de plannen nog lelijker uitziet.’ Het is de commentaar van architect Jo Crepain (Zone 03, 6 oktober 2004). Een concurrent weliswaar, maar we zijn geneigd hem gelijk te geven.

    Op 13 juli 2000 vertelde Jos Bongaerts, projectmanager bij Eurostation, dat het Kievitproject ‘na de ontwikkeling van Brussel-Noord zowat het grootste bouwproject is dat ons land ooit gezien heeft’ (De Standaard). Hij voegde er meteen aan toe dat Brussel-Noord ‘een slecht voorbeeld inzake ruimtelijke ordening’ was en verzekerde dat het masterplan van MVRDV ‘veel grotere kwaliteiten’ heeft. Waarom verrijst in het centrum van Antwerpen dan toch stilletjes een tweede Brussel-Noord? Waarom lezen we in juni 2003 nog in de Noord-Zuidkrant van de NMBS: ‘De zone zal worden ingevuld met nieuwe kwaliteitsvolle architectuurprojecten en een uitgebalanceerde mix van wonen, werken en winkelen. De ontwikkeling van de omgeving Lange Kievitstraat moet hét voorbeeld worden van hoe nadien andere Antwerpse sites zullen worden aangevuld.’ Welke cynicus hanteerde hier de pen?

    Waarom rond de Opera een nieuw hart van Antwerpen laten uittekenen via een internationale architectenwedstrijd, maar de Kievitwijk als potentiële tweede hart opzadelen met tweederangse planologie en dito architectuur opgelegd door de projectontwikkelaar-als-grondeigenaar? Waarom het Astridplein en de Rooseveltplaats door internationaal vermaarde architecten als Jordi Farrando of Manuel de Solà-Morales laten opwaarderen en de tweede stationstoegang niet evengoed een levendige voorkant gunnen? Waarom de Kievitwijk letterlijk behandelen als de achterbuurt die ze nu nog is en niet als de trotse toegangspoort naar Borgerhout, Antwerpen-Kievit en Zurenborg? Ook de negentiende-eeuwse gordel van de stad verdient een volwaardig stationsplein vlak voor Antwerpen-Centraal.

    ‘Een stad is er om in te werken en in te genieten,’ vertelde Manuel de Solà-Morales toen hij onlangs Antwerpen bezocht. ‘Ze is voor passanten én voor hen die er verblijven. Als er geen interactie meer is tussen al die functies, bloedt de stad dood. Vaak zijn projectontwikkelaars onze tegenstanders, omdat ze liever iets opzetten voor een kleine doelgroep’ (Gazet van Antwerpen, 16 oktober 2004).

    Waarom vertellen bouwvakkers overigens aan de buurtbewoners dat de gebouwen niet lang zullen meegaan wegens te povere kwaliteit? En waarom beweren sommige leden van het schepencollege dat het voor hen nog steeds onduidelijk is in welke mate de regel 1/3 + 1/3 + 1/3 opgevolgd zal worden, terwijl de door hen in februari 2004 goedgekeurde bouwplannen daaromtrent geen twijfel toelaten?

    Het concept, de concrete uitwerking en de geplande gebruiksverhoudingen van het Kievitproject in zone A zitten zo scheef dat een kwaliteitsvolle heraanleg van het publieke domein rond de gebouwen daar niets meer aan kan verhelpen en slechts een doekje voor het bloeden zal zijn.

B. Wat wil De Ploeg dan wel?

  1. Dat de projectontwikkelaar en de overheden zich ervan onthouden bewust onjuiste informatie te verspreiden en

    • niet langer over een Kievitplein communiceren, want dat plein komt er niet. De hele site staat volgebouwd – het is vooral een gesloten kantoor- en hotelzone geworden – en tussen de gebouwen zullen weinigen zich wagen na de werkuren. Voor het nieuwe stationsgebouw komt een beperkte kiss & ridezone waar auto’s af en aan rijden. Een plein kun je dat niet noemen. ‘Van het Kievitplein zal niet meer overblijven dan een Kievitkoerke,’ lezen we in een van de bezwaarschriften bij het openbaar onderzoek van het voorlopige GRUP. ‘Er is in deze buurt nochtans een nijpend tekort aan open ruimte en speelruimte. Een plein is belangrijk voor de kinderen en voor het sociaal weefsel in het algemeen. Een plein geeft ook een subjectief gevoel van ruimte, wat in een stad toch belangrijk is.’ Zij die de ingediende bezwaren wegen moesten, konden daar geen beter antwoord op verzinnen dan: ‘Vlacoro merkt op dat in de toelichtingsnota onder punt 1.4 opgenomen ontwikkelingsperspectieven voldoende waarborg bieden voor het creëren van open ruimtes’ (27 mei 2003). Het bezwaarschrift werd afgewezen. Enkele maanden later prijkte in het goedgekeurde inrichtingsplan uiteindelijk … een ‘koerke’ tussen acht torens. Schrijnend toch, deze zelfopgelegde machteloosheid van Vlaanderens belangrijkste adviserende instantie voor ruimtelijke ordening.

    • niet langer beweren dat de goede elementen van het masterplan bewaard blijven. Het college en de Vlaamse overheid mogen in hun documenten (collegebesluiten, het GRUP) en externe communicatie dan wel obligaat blijven verwijzen naar de kwaliteiten van het masterplan, het Rotterdamse architectenbureau MVRDV distantieert zich inmiddels ten stelligste van het hele project. Winy Maas, een van de stichters van MVRDV, trof bij de ontwikkeling van het Kievitplein naar eigen zeggen ‘een onsamenhangende, onprofessionele planningscultuur met machoachtige aspecten’ (in Christian Leysen, Antwerpen onvoltooide stad, 2003). Lees: dit soort behandeling door bouwpromotor en politici maakten we nooit eerder mee. Het is overigens niet de eerste keer in Antwerpen dat een internationaal gerenommeerd architectenbureau niet geassocieerd wil worden met zijn door Belgische projectontwikkelaars verknoeide ontwerp. Ook de wereldberoemde architect Richard Meier nam enkele jaren geleden publiekelijk afstand van het ooit door zijn bureau getekende maar later flink bijgestelde kantorencomplex AMCA gelegen tussen het Willemdok en de Italiëlei. Blijkbaar moeten creatieve stedenbouwkunde en architectuur hier al te vaak wijken voor winstmaximalisatie.

      In bijna alle collegebesluiten die handelen over het Kievitplein duikt onder de hoofding ‘Voorgeschiedenis’ volgende passage op: ‘Als kader voor de ontwikkeling van de omgeving werd door de Vlaamse regering een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opgemaakt dat steunt op de principes van het door MVRDV voorgestelde concept.’ Het is een verdraaiing van de realiteit die als een mantra voortdurend ter legitimering opgenomen wordt om de indruk te wekken dat rekening gehouden werd met het masterplan van MVRDV. Quod non. Gelijkaardige passages duiken steeds weer op in beoordelingen en argumentatierondes. De strategie is kinderachtig maar wel efficiënt, want de geruststellende bewering wiegt de leden van het college en de gemeenteraad in slaap. Zij lezen niet wat verzwegen wordt.

      Als dan toch de basisprincipes van het masterplan verwerkt zouden zitten in GRUP én inrichtingsplan, hoe komt het dan dat de stad en Robelco alle contact hebben verbroken met MVRDV sinds het voorjaar van 2002?

    • niet langer verklaren dat MVRDV een stel ‘jonge gasten’ zijn met goede, maar niet realiseerbare of onbetaalbare ideeën. MVRDV is een meermaals gelauwerd architectenbureau dat 30 architecten tewerkstelt en in de hele wereld actief is. Het masterplan werd goedgekeurd door het college en positief onthaald door collega-ontwerpers, de Vlaamse bouwmeester en zijn stedelijke evenknie, het Antwerpse districtscollege, de welstandscommissie, de leden van de Gecoro (gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening) en recensenten-stedenbouwkunde in kranten en vakbladen. Wat Robelco, daarin gesteund door de overheid, eigenlijk bedoelt is dat de voorstellen van MVRDV te veel afknabbelen van de winst, want gepleit werd voor minder vierkante meter kantoren, meer publieke ruimte en tot de verbeelding sprekende architectuur.

      Finaal gaat het overigens niet om de haalbaarheid van concrete voorstellen, wel om het betoonde respect voor de daarachter schuilgaande basisprincipes (zie ook C., waar De Ploeg wijst op een alternatief voor het concept van strookbebouwing zoals dat door MVRDV naar voor geschoven werd).

    • niet langer als ultiem argument voor het eigen eisenpakket (Robelco) of als vergoelijking voor het eigen falen (college) aanhalen dat wat er komt in elk geval beter zal zijn dan wat er was, met name een troosteloze en onveilige vlakte. ‘Wees blij dat we er iets bouwen’ is een te gemakkelijke dooddoener voor wat een gemiste kans is. Typerend is de recente uitspraak van de eerder geciteerde Ludo Bresseleers: ‘De Kievitbuurt zag er tot op heden ellendig uit. De nieuwe invulling van deze wijk zal een belangrijke impuls vormen voor de stad. Weliswaar is die impuls voornamelijk financieel-economisch van aard en worden er vooral hotels en kantoren opgericht. Wat wonen betreft, biedt het plan misschien iets minder tegemoetkomingen, maar het zal sowieso een verbetering zijn tegenover de vroegere Kievitwijk’ (De Standaard, 16 september 2004).

      Een andere evergreen is ‘dat het vroeger ook niet echt een plein was’, want tot de jaren zestig stonden er de gebouwen van koekjesfabriek De Beuckelaer en later kwam er een grote parkeervlakte. Het is een niet terzake doende argument, want niet het vasthouden aan een verleden is hier de boodschap, wel het grijpen van de kans tot verbetering die zich aandient. Fysieke en mentale pleinvorming is essentieel voor een stad. Bovendien heeft de hele Kievitwijk niet één klein pleintje. Die lacune kon het nieuwe bouwproject invullen.

    • niet langer verkondigen dat de ontwikkeling van de bouwzones gebeurt in nauw overleg met de buurt (zie ook F. Waarom reageert de Ploeg pas nu?).

      Symptomatisch voor de frustratie hierover is het bezwaarschrift van het vlak naast zone A gehuisveste Vlaams Verbond van Katholieke Scouts en Meisjesgidsen, ingediend tijdens het openbaar onderzoek rond het voorlopig GRUP (gevoerd van 6 januari tot 7 maart 2003): ‘Ondanks herhaalde vraag is VVKSM niet betrokken bij het gewestelijk RUP, dit in tegenstelling tot private ontwikkelaars voor wie een plan “op maat” gemaakt wordt door de Vlaamse regering, die huidige eigenaars opzij schuift voor de belangen van projectontwikkelaars.’

      Andermaal handelde de Vlacoro de kwestie af met een nietszeggend antwoord: ‘Vanuit procesmatig oogpunt betreurt Vlacoro dat de VVKSM zich in dit dossier gepasseerd voelt door het Vlaamse planningsniveau, terwijl uit de toelichtingsnota bij het RUP blijkt dat de visie van het RUP onder meer op basis van een overleg tussen de stad, de Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar en architecten van een van de zones verder verfijnd is (toelichtingsnota – p. 5 en 10). Anderzijds wijst Vlacoro erop dat het net de bedoeling van de openbaarmakingsprocedure is rekening te houden met zoveel mogelijk standpunten van zoveel mogelijk partijen.’

      Ook de joodse Gemeente en verschillende bewoners kregen een weinig empathisch antwoord op gelijkaardige bezwaarschriften: ‘Vlacoro merkt op dat de bevolking op twee manieren werd betrokken bij het planningsproces: enerzijds door informatieverschaffing door de overheid en anderzijds door inzage in het dossier en de mogelijkheid om bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek’ (27 mei 2003). Tja, dát was niet waar de indieners van de bezwaren naar polsten.

      Je weet niet of je hier lachen moet of huilen. Toegegeven wordt dat de projectontwikkelaar en de architecten van zone A een vinger in de GRUP-pap hebben, terwijl de ‘mindere’ medespelers als de VVKSM (heeft er toch zijn hoofdzetel), de joodse gemeente Belze Antwerpen (is de grootste synagogegebonden gemeenschap van Antwerpen), de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde (als belangrijkste toeristische dagattractie van Vlaanderen) of bewoners(groepen) zich maar tevreden moeten stellen met het post-factum indienen van bezwaren, die zonder uitzondering opzij geschoven worden. Hooguit ‘deelt Vlacoro de bezorgdheid van de bezwaarindieners’. Wanneer Vlacoro de bezwaarindieners een enkele keer ‘kan bijtreden’ volgt altijd weer een nietszeggende intentieverklaring of een zwakke formulering over het nog op te stellen inrichtingsrapport waarin rekening kan worden gehouden met de bekommernissen. Quod uiteindelijk steevast non.

      Hopelijk is het geen constante op Vlaams niveau, maar in dit Kievitdossier illustreerde Vlacoro over de hele lijn hoe irrelevant het is als bewaker van stedenbouwkundige kwaliteit. Ook de gemachtigd ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen (AROHM) gaf aan omwonenden vaak de indruk dat hij hun bezwaren maar spijkers op laag water of gemuggezift vond. Tijdens het openbaar onderzoek over de bouwaanvraag voor het bovengrondse Kievitcomplex werd in verschillende bezwaarschriften gewezen op punten waar de aanvraag in strijd is met het GRUP (verkeersoverlast, inplanting gevels, publiek terrein dat ontoegankelijk wordt, invulling gelijkvloerse verdieping, vrees voor het creëren van een werk- en slaapwijk, …). Iemand had zelfs vragen bij de inspraakprocedure zelf (bezwaarschrift nr.16). Slechts 1 bezwaarschrift werd aanvaard. Ernstig genomen voelden de indieners zich alweer niet.

      Hoogst partijdig en bepaald grof was de reactie van de Vlacoro op een bezwaarschrift ingediend tijdens het openbaar onderzoek van het GRUP: ‘Er is in de buurt van de Provinciestraat niet de minste speelruimte voor de talrijke kinderen,’ protesteerde een bewoner. ‘Op de plannen moeten voorzieningen gemaakt worden voor de jeugd.’ Vlacoro merkte op ‘dat de Provinciestraat buiten het plangebied valt.’ Goed opgemerkt, maar wat indien dát net het punt was dat de indiener van het bezwaarschrift maken wilde: hou rekening met de context, isoleer het te ontwikkelen plangebied niet van zijn omgeving (met name ‘de buurt van de Provinciestraat’, of hoe noem je anders de Kievitwijk?). De GRUP-zone ligt 1 straat verwijderd van en loopt helemaal parallel met de Provinciestraat, die de hoofdstraat is van het hele gebied en wellicht als dusdanig vermeld werd.

      Hierin schuilt de essentie van de hele denkoefening die een openbaar onderzoek rond een ruimtelijk uitvoeringsplan toch verondersteld wordt te zijn: ontwikkel geen nieuwe zone die als een tang op een varken staat. Het antwoord van de Vlacoro is bijgevolg veeleer een illustratie van luiheid dan van deskundigheid. ‘Val ons niet lastig met irrelevante vragen’ is de boodschap. ‘De verwevenheid met de omgeving interesseert ons niet.’ Hoe anders kan je het opmerkingsvermogen van de Vlacoro hier interpreteren?

      De onverschilligheid jegens de omliggende buurt zit overigens vervat in de wetgeving zelf. Alleen de aanpalende bewoners van de betreffende zone kunnen een bezwaarschrift indienen tijdens het openbaar onderzoek. Wanneer je een straat verderop woont, sta je al buitenspel. Ook de buurtcomités van de omliggende wijken hebben dus weinig verweermiddelen, om van andere vzw’s of van ngo’s nog maar te zwijgen. Daar moet toch eens ernstig over nagedacht worden.

  2. Dat de lokale bestuurders (= het vorige én het huidige college) zich niet langer collectief verstoppen achter het door de Vlaamse overheid aangehaalde ‘algemeen belang’ om een manifest slecht stedenbouwkundig concept goed te praten of lijdzaam te ondergaan. Dat het Antwerpse college in plaats daarvan op zijn strepen staat (zie D. De overheid als speelbal).

  3. Dat onderzocht wordt in hoeverre de procedurele onregelmatigheden die de buurtcomités vermoeden uitingen zijn van onbehoorlijk bestuur en de rechten van de burger hebben geschonden (zie E. Het juridische luik).

  4. Dat de overheden rekening houden met wat de stadsbouwmeester René Daniëls en zijn Vlaamse collega bOb van Reeth adviseren, ofwel hun functie afschaffen.

    Op de Gecoro van 28 oktober 2004 merkte voorzitter René Daniëls op dat kwalitatief inferieure nieuwbouw te remediëren valt: op relatief korte termijn – pakweg een generatie – kan een gemeenschap beslissen dat het gebouw dient afgebroken. Maar een pleinvorming of de inplanting van een nieuwe wijk verknoeien is quasi onomkeerbaar. Hij vergeleek de pleinen van een stad met de zenuwknooppunten in een lichaam. Haal een knooppunt weg en het lichaam functioneert op slag een heel stuk minder. Wie het stedelijk lichaam op dergelijk ingrijpende manier minder levendig maakt, draagt een grote verantwoordelijkheid. Met een Kievitplein dat volgebouwd staat en na de werkuren gemeden wordt, moeten de Antwerpenaren – en zeker de omwonenden – immers nog generaties lang leven. De Ploeg voegt daaraan toe dat politici die de stortvloed van kritiek op het huidige concept en op de vergunde plannen simpelweg negeren een daad van onbehoorlijk bestuur plegen.

    In Christian Leysens Antwerpen onvoltooide stad (2003) zei bOb van Reeth: ‘Het Kievitplein is verknoeid. MVRDV heeft een masterplan opgesteld en de stad heeft durf getoond. Dan begint het getouwtrek om Alcatel in Antwerpen te houden en wordt alles te grabbel gegooid. Voor die honderdduizend vierkante meter wordt het plan van MVRDV gewoon opzijgezet. Openbare ruimte wordt geprivatiseerd. Dat is slecht beleid. Rekening houden met het algemeen belang betekent onder andere kwalitatieve openbare ruimte creëren. Die arbeidsplaatsen van Alcatel zijn uiteraard belangrijk, maar hoeven niet in te houden dat je daar per se schaarse openbare ruimte voor opoffert.’ Op 22 maart 2004 officialiseerde hij dat standpunt in een advies over de bouwaanvraag voor de uitbreiding van het bestaande VAC-gebouw en de afbraak van het Dominicanenklooster: ‘De verdere opvolging van het masterplan naar concretisering en de opmaak van het RUP heeft niet alleen de haalbaarheid en de interpretatie van het masterplan bevraagd maar heeft ook de basiskwaliteiten van het masterplan uitgehold. Daardoor is bij de verschillende partijen die verschillende zones ontwikkelen geen enkele kwalitatieve standaard voor de stedenbouwkundige ontwikkeling van dit gebied nog aanwezig en kan men met moeite nog gewagen van het feit dat de overheid een voorbeeldrol als bouwheer kan opnemen door zich met de ontwikkelingen op een van die zones te identificeren. Het project voor het Kievitplein vernietigt door zijn interpretaties architecturaal en stedenbouwkundig de uitgangspunten van het masterplan en isoleert de plek opnieuw los van de stedelijke omgeving. De zelfgenoegzaamheid van dit project kan moeilijk verzoenbaar zijn met herkenbaarheid, openbaarheid en diversiteit als uitgangspunt.’

    Van belang is tevens dat architecten en critici zich niet langer schromen om publiekelijk uitspraken te doen over de kwaliteit van de geplande Kievitarchitectuur. Buurtcomités krijgen vaak op hun boterham dat nu eenmaal over kleuren en smaken te twisten valt. Ze hebben nood aan deskundigen die het verhaal over ‘het is een kwestie van smaak’ objectiveren. Want wie beschermt ons anders tegen ondermaatse architectuur op zo’n belangrijke plek?

    Over onze literatuur verschijnen week na week dikke boekenbijlagen waarin de kwaliteit van het geschrevene tegen het licht gehouden wordt. Waarom horen we over architectuur en stedenbouw, over de gebouwen en de projectontwikkelingen waarmee we dagelijks geconfronteerd worden zo weinig op het publieke forum? Waarom zijn critici hier zo schroomvallig om wat slecht is gewoon de grond in te boren?

  5. Dat eindelijk een ernstige mobiliteitsstudie gemaakt wordt voor het Kievitproject en een daarbij horend mobiliteitsplan (en dus geen mobiliteitseffectenrapport waar verder niets mee gedaan wordt).

    In het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt de relatie aangegeven met wat het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen bepaalt. Je leest er bijvoorbeeld over ‘het aanleggen van parkings voor langparkeerders aan de rand van de stadskern met vlotte en kwaliteitsvolle verbinding met het centraal station, het beperken van de parkeerplaatsen in de omgeving van het Centraal Station en het beperken van bijkomend verkeer’. In de vertaling naar verordenende stedenbouwkundige voorschriften staat in het GRUP: ‘Het aantal parkeerplaatsen moet beperkt blijven. De Plantin en Moretuslei, waarop het gebied aansluit, is reeds verzadigd. Alle bijkomende verkeersbewegingen op deze stedelijke invalsweg moeten dus tot het minimum beperkt worden.’ Vervolgens evolueert het project echter dusdanig dat het huidige college op 20 februari 2004 uiteindelijk bovenop de reeds vergunde en sinds november 2002 in aanbouw zijnde 600 NMBS-parkeerplaatsen onder het tweede stationsgebouw en de pas opgeleverde 400 NMBS-parkeerplaatsen onder het nabijgelegen Astridplein nog een vergunning geeft voor 1.150 extra ondergrondse parkeerplaatsen, zijnde 2.150 plaatsen in totaal voor een stadszone waar men officieel bijkomend verkeer wil beperken. En dan moet de ontwikkeling van de kantoor- en dienstenwijk aan de overkant van de spoorweg (aan de Pelikaanstraat) en in de zone D nog op gang komen.

    Opnieuw fungeren de voorschriften als rookgordijn. In de praktijk doet men wat men wil, zelfs wanneer de afdeling Wegen en Verkeer een ongunstig, maar niet bindend advies uitbrengt ‘omdat niet aangetoond wordt dat het voorziene parkeervolume beantwoordt aan de reële behoeften van de in het bouwproject voorziene activiteiten’ (16 december 2003).

    In het GRUP-ontwerp werd het aantal parkeerplaatsen in elke zone van het Kievitproject als volgt beperkt: voor zone A maximaal 1300 plaatsen, voor de zones B en C samen maximaal 100 en voor zone D maximaal 50. In de definitieve toelichtingsnota kwamen daar ineens nog 150 plaatsen bij: ‘Het maximum aantal parkeerplaatsen voor het gehele gebied bedraagt 1.600 plaatsen.’ Uiteindelijk kregen zone A 1200 plaatsen toebedeeld en zone D 400. In het voorlopig vastgestelde ontwerp van het GRUP (eind 2002) klonk het nog als volgt: ‘Om het aantal parkeerplaatsen in het gebied te beperken, wordt een maximaal aantal parkeerplaatsen per zone vastgelegd. Dubbelgebruik van de parkeerplaatsen moet hiermee aangemoedigd worden.’ In de definitieve tekst (eind 2003) werd dat: ‘De parkeerdruk in de gehele omgeving dient beperkt te blijven, binnen het plangebied moeten ondergrondse parkeerplaatsen worden voorzien. Het aantal parkeerplaatsen kan afgestemd worden op de te ontwikkelen bebouwde oppervlakte maar gelet op de ligging aan een openbaar vervoersbundel dient ook een afstemming te gebeuren in functie van het stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer. Ook dubbelgebruik van de parkeerplaatsen moet aangemoedigd worden.’

    De nuancering hield in dat er nu eenmaal veel bouwoppervlakte voorzien was per zone, en dat het aantal parkeerplaatsen navenant moest zijn. Het was nota bene het stedelijk bestuur zelf dat om een verhoging van de parkeercapaciteit had gevraagd. Op de zitting van 25 februari 2003 adviseerde de gemeenteraad dat ‘binnen dit kader een verhoging van de volgens het ontwerp-GRUP toelaatbare capaciteit met 200 plaatsen voor zones C en D noodzakelijk is, waarbij zone D ten zuiden van de Plantin en Moretuslei apart moet bekeken worden gelet op ondermeer de bijkomende ontruimingsmogelijkheden, ondermeer naar de Van den Nestlei.’

    Een dergelijke handelswijze is niet alleen tegenover de omwonenden arrogant, maar ook tegenover de vele deskundigen die jarenlang sleutelden aan een degelijk ruimtelijk structuurplan. Helaas stelt het decreet ruimtelijke ordening (1999) dat structuurplannen (en dus ook de bindende bepalingen ervan) geen beoordelingsgrond uitmaken voor bouwaanvragen. Ze hebben geen ‘verordenende waarde’, wat betekent dat strijdigheid met wat in het structuurplan staat geen motief kan zijn om een vergunning te weigeren. Wat natuurlijk de deur wel heel erg op een kier zet om opnieuw à la tête du client te gaan vergunnen.

    Toegegeven: in vergelijking met de vroegere situatie komen er op zone A geen bijkomende parkeerplaatsen, want er waren al een bovengrondse en een ondergrondse parking (zij het slechts half benut). Maar vandaag de dag nog ruim tweeduizend ondergrondse nieuwbouwparkeerplaatsen vergunnen in het hart van een reeds dichtgeslibde grootstad, en vlak naast het grootste station van Vlaanderen, is niet meteen een toekomstgericht beleid voeren.

    Dan klonk het advies van de Welstandscommissie een pak eigentijdser: ‘Het parkeertotaal dat vastgesteld is in het GRUP dient echter niet te worden verhoogd. De 1450 parkeerplaatsen is een maximum. (…) De door de Welstand gevraagde aanpassingen aan het GRUP inzake 1.3: Het aantal parkeerplaatsen per zone moet bepaald worden op basis van de functies, aanwezig in de betreffende zone en wel op volgende basis: 1,00 parkeerplaats per 150 m² kantoor- of handelsruimte en 0,70 parkeerplaats per woning. Dit garandeert een harmonische ontwikkeling van elke afzonderlijke zone’ (9 januari 2003). Concreet zou dit 400 i.p.v. 1150 parkeerplaatsen betekend hebben voor de kantoren in de huidige ontwikkeling van zone A. In Antwerpen kunnen we van dit soort moedige beslissingen alleen maar dromen.

  6. Dat de onteigende buurtbewoners in de Van Immerseelstraat een correcte behandeling krijgen in plaats van op al te korte termijn met gerechtelijke procedures bedreigd te worden.

    Sinds 2002 staat vast dat de eigenaars (en bewoners) van een twintigtal panden in de Van Immerseelstraat onteigend zullen worden. De onteigeningstabel (wie moet weg?) en het onteigeningsplan zijn al bekend sinds november 2002. Over het tijdsverloop van de onteigeningsprocedure bleven de betrokkenen echter in het duister tasten tot midden 2004. Pas op 28 mei 2004 gaf het college opdracht aan het Aankoopcomité om over te gaan tot onteigeningen.

    De stad Antwerpen treedt op als onteigenende overheid, maar het verwerven van de panden wordt gefinancierd met middelen afkomstig van het Vlaams Stedenfonds en het Federaal Grootstedenbeleid. Bij collegebesluit van 26 maart 2004 werd de bevoegde minister verzocht om het ministerieel besluit van 24 oktober 2003 aan te vullen met een besluit dat aan de stad Antwerpen machtiging verleent om over te gaan tot gerechtelijke onteigening en dat de toepassing voorziet van de onteigeningsprocedure bij hoogdringende omstandigheden. Op 4 juni 2004 verleende de Vlaamse regering deze machtiging en werd beslist ‘dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen van openbaar nut kan worden toegepast.’

    In het collegebesluit van 26 maart 2004 stond nog: ‘Opdat de huidige bewoners minstens over een half jaar zouden beschikken om een nieuwe woning te kunnen betrekken, dient de onteigeningsprocedure op het einde van het derde kwartaal 2004 te worden afgerond.’ Maar het was al oktober 2004 vooraleer de basisakte over minnelijke schikkingen eindelijk ter goedkeuring werd voorgelegd aan de gemeenteraad. Op 1 oktober had het college opdracht gegeven aan het Aankoopcomité om gerechtelijke onteigeningsprocedures op te starten wanneer op korte termijn geen minnelijke schikkingen bedongen kunnen worden met de getroffenen. Op 1 maart 2005, ofwel vijf maanden later al, moeten de panden beschikbaar zijn voor de aannemer. Of zoals de argumentatie luidt in het collegebesluit: ‘De stad Antwerpen wil ten laatste op 1 maart 2005 over de te onteigenen goederen beschikken, zodat de werfzone ter beschikking kan worden gesteld aan de aannemer. (…) Indien een minnelijke onteigening niet op korte termijn haalbaar is dient tot gerechtelijke onteigening te worden overgegaan.’

  7. 7) Dat alsnog werk gemaakt wordt van het stedenbouwkundig compromis uitgewerkt door De Ploeg (zie C. Een tegenvoorstel). In dat tegenvoorstel wordt geïllustreerd hoe de basisprincipes van MVRDV, de noden van de toekomstige hoofdgebruiker van de zone (Alcatel), de zuidwaartse ontsluiting van de zoo en de verlangens van de buurtcomités elkaar niet hoeven uit te sluiten.

C. Een tegenvoorstel

Met het oog daarop stelden zeven buurtcomités, daarin expliciet gesteund door de Antwerpse bewonersbeweging StRaten-Generaal, de Bond Beter Leefmilieu en de Voetgangersbeweging, deze nota op en presenteren ze een streefbeeldstudie (maquette + digitale tekeningen). Hun vraag: willen het stadscollege, de bevoegde minister, Alcatel, Robelco en de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde zich in een ultieme geste van zin voor maatschappelijke verantwoordelijkheid gezamenlijk buigen over een ontwerp opgemaakt vanuit bewoners-als-gebruikersperspectief, maar waarin ook rekening gehouden wordt met de cruciale vraag van Alcatel naar een minimaal aantal vierkante meter kantoorruimte binnen 1 gebouw?

Voor de geplande heraanleg van de Dageraadplaats werd een stedenbouwkundige wedstrijd georganiseerd. Uit de tientallen inzendingen kozen de Vlaamse bouwmeester en een jury er vijf uit, die verder uitgewerkt zullen worden. Het lokale buurtcomité werd nauw betrokken bij het hele proces. Waarom werd een dergelijke procedure niet gevolgd voor het zovele malen grotere en stedelijk centraler gelegen Kievitplein? In twee wijken (Spoor Noord en het Falconplein) vroeg het Antwerpse stadsbestuur de bewoners eerder al om hun ideale buurt te omschrijven en om met eigen voorstellen voor een gepland bouwproject te komen. De vraag kwam bovenop het verplichte rondje inspraak in de eindfase. Waarom kon dit ook niet in onze wijk?

De buurtcomités willen de discussie over de inrichting van de eigen wijk verbreden naar een debat over stedenbouwkunde in deze tijden. Daarvoor is nood aan waarheid (eerlijke communicatie) en duidelijkheid (transparante procedures). Daarom organiseerden ze op 8 november 2004 (= Werelddag van de Stedenbouw) ook een persconferentie waarop ze tekst en uitleg gaven. Daaraan voorafgaand (op 19 en 20 oktober 2004) bezorgden ze een eerste versie van de nota aan de COO en de verantwoordelijke Gebouwen van Alcatel, aan de projectleider van Robelco, aan de burgemeester en de bevoegde schepen van ruimtelijke ordening, aan MVRDV, aan Eurostation en aan de directie van de dierentuin, met de vraag om een spoedig gesprek.

Bij de opmaak van de streefbeeldstudie hielden de buurtcomités (verenigd in De Ploeg) rekening met een aantal centrale principes die ook terugkomen in de uitgangspunten van MVRDV, met de geest dus van het in 2002 goedgekeurde masterplan.

  • een inhoudelijke en vormelijke versterking van de relatie met de omliggende straten en wijk(en) in plaats van het creëren van een ‘lichaamsvreemd’ element dat geen aansluiting zoekt met de omgeving. De buurtcomités verzetten zich niet tegen het inplanten van kantoren noch van hoogbouw op wat terecht als A-locatie bestempeld wordt (centrale ligging nabij een groot station). Wel integendeel: ze voorzien plaats voor bijkomende kantoorruimte voor het VAC (6.000 m²), dat naar uitbreiding zoekt aan de Copernicuslaan. Bovendien bepleiten ze, zoals aanvankelijk het telecombedrijf zelf, het centraliseren van alle Alcatelfuncties (34.000 m²) in 1 torengebouw van maximaal 64 meter hoog (rekening houdend met het advies van Belgocontrol), en dit op de twee kavels aan de kiss & ride zone vlak voor het station. Wel klagen ze het gebrek aan gebruiksvriendelijkheid aan voor de zachte modi die er niet komen werken maar wel willen wandelen, fietsen of gewoon vertoeven in dit centrale stukje Antwerpen..

    Het is niet meer van deze tijd om gewoon acht blokken naast elkaar te plaatsen in een Europees stadscentrum. In het tegenvoorstel verlaat De Ploeg daarom ook gedeeltelijk het concept van strookbebouwing zoals dat door MVRDV werd voorgesteld, zonder aan het principe van doorwaadbaarheid te raken.

  • de belevingskwaliteit van elke plek in het gehele gebied, opdat er geen dode stukken ontstaan. Daarmee bedoelen we het volgende: zo weinig mogelijk anonieme wanden, zo veel mogelijk verwevenheid van functies en activiteiten (ook na de kantoor- en winkeluren), open ruimte als ontmoetingsplek, een zeer diverse invulling op de gelijkvloerse verdieping, gevarieerde woning- en kantoortypes, vermenging van de drie functies in eenzelfde gebouw, duurzaamheid van constructie en materialen, enzovoort. De woonfunctie wordt niet alleen versterkt (van 4.500 m² naar 12.600 m² of van 7% naar 18% - erkend wordt dat 30% wonen wellicht wat hoog gegrepen is, gezien de dure grondprijs) maar ook dieper in de zone getrokken. Er komt plaats voor een groot plein, m.n. het KievitPLEIN. Het hotel staat niet langer aan de rand van de zone, maar wel centraal tussen het station, het businesscenter, het plein en de woningen.

    In het nieuwe Kievitproject dient ruimte gelaten voor het ‘kleine’ (gezelligheid, gezapigheid, gezondheid) in plaats van uitsluitend in te zetten op het ‘grote’. Dat betekent bijvoorbeeld de mogelijkheid bieden om de vele beeldende kunstenaars en ontwerpers die in deze buurt op zoek zijn naar atelier- en tentoonstellingsruimte een plek te geven. Meteen kan dit mee het karakter van de nieuwe wijk bepalen en bewoners of bezoekers aantrekken.

  • het optimaliseren van de gebruikersassen: hoe stap je door een open veld, wat zijn de kortste afstanden, waar ontwikkel je zichtlijnen (in het voorstel zijn er veel meer elkaar kruisende zichtlijnen), …? Met vijf aan elkaar verbonden wandelassen wordt de doorwaadbaarheid gemaximaliseerd. Smalle straten worden tot een minimum beperkt. In het tegenvoorstel van De Ploeg is ondanks de ontwikkeling van ruim 66.000 m² vloeroppervlakte toch plaats voor meer open en publieke ruimte. Het geheel wordt er luchtiger door.

  • de rol van de dierentuin als noodzakelijke en volwaardige partner bij het ontwikkelen van een sfeervol stadsgebied, met bij voorkeur een tweede zoo-ingang als verbinding tussen de zoo en de wijk. De Ploeg is het er niet mee eens dat de blinde achtergevel van de zoo ‘een typerend karakter’ heeft (zoals in de inrichtingsstudie van de projectontwikkelaar staat) of dat het positief is dat ‘het onafhankelijke karakter van het monument gegarandeerd’ wordt door niet aan te bouwen tegen de gevels van de zoo, zoals de gemachtigd ambtenaar van AROHM op 17 februari 2004 noteert. Dat is correct voor het gedeelte tussen de Provinciestraat en de Copernicuslaan, maar niet voor de achterkant van de gebouwen tussen de Copernicuslaan en de spoorweg. Daarom pleit ze ervoor om deze achtergevels te integreren in de bebouwing van het Kievitplein, zoals ook gesuggereerd werd door MVRDV en in het GRUP. Tegen de dierentuin kan een deel hotel en een deel kantoren/businesscenter voorzien worden.

    In een reactie op de eerste versie van de nota schreef zoodirecteur Rudy van Eysendeyk aan De Ploeg: ‘Ook uit weloverwogen eigenbelang zien wij het nut in van een opening naar de stad toe en dit naar alle kanten. Bij elke toekomstige investering zullen we daar dan ook, veel meer dan in het verleden aandacht aan besteden. Dit betekent helaas niet dat wij het ons financieel kunnen veroorloven om daar onmiddellijk en met uitsluiting van andere noden een prioriteit van te maken. U verwijst concreet naar een tweede Zootoegang langs het Kievitplein. Een toegang maken kost niet zozeer geld om hem te creëren maar vooral om hem te bemannen. U zal het met mij eens zijn dat het project zoals het vergund werd niet van een zodanige kwaliteit is dat onze bezoekers zullen staan drummen om langs daar binnen te mogen. In het oorspronkelijke concept van MVRDV lag een en ander volledig anders en kon een tweede ingang wel overwogen worden, wat overigens is gebeurd’ (21 oktober 2004).

    Door af te stappen van de basisprincipes van MVRDV en met medeweten van de overheden ontzegde projectontwikkelaar Robelco de burger dus die tweede ingang.

  • het maatschappelijk belang van creatieve, hoogwaardige en duurzame architectuur, zowel qua concept als in materiaalkeuze. Bouwvakkers vertellen aan de buurtbewoners dat de fundamenten wel degelijk zijn maar dat de gebouwen niet langer dan twintig jaar zullen meegaan wegens te povere kwaliteit. Bewoners vragen een doordachte en duurzame buurtontwikkeling, zowel in planning als in uitvoering, zodat de wijk binnen twintig jaar niet weer ‘herzien’ moet worden. In een bezwaarschrift ingediend tijden het openbaar onderzoek voor het GRUP-ontwerp formuleerden 29 bewoners het gezamenlijk als volgt: ‘De vormgeving van de gebouwen moet harmonieus aansluiten op de ruime omgeving. Voor het behoud van de aangename woonomgeving moeten eisen gesteld worden inzake architectuur. De plannen voorzien enkel dat zal gekozen worden voor hoge rechthoekige blokken zoals in alle megaprojecten.’

D. De overheid als speelbal: een koningsdrama

Eind 1998 organiseerde het toenmalige Antwerpse stadsbestuur samen met NMBS-Eurostation een planologische wedstrijd voor het hele Kievitgebied achter het Centraal Station, waarmee het bestuur aangaf dat de nieuwe wijk niet zómaar ontwikkeld mocht worden. In mei 2000 keurde het schepencollege de door laureaat MVRDV op 17 juni 1999 en 20 april 2000 toegelichte stedenbouwkundige basisprincipes goed. Er werd een stuurgroep opgericht die waken zou over de kwalitatieve uitwerking van het uiteindelijke bouwproject. Het college gaf de opdracht om op basis van het masterplan aangeleverd door MVRDV een BPA (= bijzonder plan van aanleg) uit te werken voor het hele gebied. Tot daar het behoorlijk bestuur.

Met de eis in 2002 tot het opmaken van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) ontnam de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening aan de stad Antwerpen een belangrijk instrument – met name een bijzonder plan van aanleg – om medezeggenschap uit te oefenen over wat met de Kievitbuurt zou gebeuren. De door het vorige stadsbestuur opgestarte en beloftevolle denkoefening over de ontwikkeling van het Kievitplein werd grotendeels in de prullenmand gegooid. De zeven lokale buurtcomités vragen zich het volgende af: wanneer een Vlaamse grootstad aanvankelijk oordeelt dat voor een concrete, belangrijke vastgoedoperatie in het hart van de stad een planologische studie dient opgemaakt (= het masterplan), daartoe ook de opdracht geeft en vervolgens op basis daarvan een toekomstgericht bijzonder plan van aanleg wil laten maken, waarom en op welke basis meent de Vlaamse overheid dan hierin te moeten tussenkomen opdat de planologische grondregels herschreven kunnen worden? In welk algemeen belang kadert een dergelijk belangrijke bevoegdheidsverschuiving en, zoals later zou blijken, ook beleidswijziging? En wat met het vergooide geld, want een planologische wedstrijd organiseren is niet goedkoop? In welk algemeen belang was het overigens om het Kievitplein en omgeving jarenlang te laten verkommeren? Steeds werd herhaald dat de projectzone van bovenlokaal of algemeen belang was, maar nooit werd dat belang nader toegelicht.

Officieus wordt gezegd dat dit belang uit twee in de loop van 2001 vastgestelde realiteiten bestaat, namelijk het door Alcatel beloofde maar niet in tijd gegarandeerde behoud van lokale tewerkstelling en de vaststelling dat Robelco quasi alle kavels bezat in bouwblok A en als grootgrondbezitter dus alle beslissingen naar zich toe kon trekken. Elkeen die het Kievitdossier van naderbij volgde weet dat we hier dicht bij de essentie zitten, maar tweemaal is dit toch maar een halve waarheid. Telkens gaat het ook om de gevolgen van een slecht beleid veeleer dan om het ‘algemeen belang’.

Op 21 december 2001 gaf Alcatel in een brief aan het stadsbestuur te kennen dat het Kievitplein enkel mits strikte waarborg van het college aan de hoofdzetel in Parijs kon worden voorgelegd als potentiële locatie voor zijn kantoren. In het collegebesluit van 6 februari 2002 verbond het bestuur daaraan volgende conclusie: ‘Het college spreekt zijn ondubbelzinnige voorkeur uit voor de inplanting van de nv Alcatel Bell op het “Kievitplein” en zal alles in het werk stellen om aan de voorwaarden gesteld door de nv Alcatel Bell te voldoen.’ Als grote werkgever en belastingbetaler kon Alcatel het Antwerpse stadsbestuur en de Vlaamse overheid onder druk zetten om bepaalde planologische eisen te laten vallen. Hier werd ingespeeld op de valse tegenstelling tussen wonen of werkgelegenheid. Een bovenlokale (= in deze Vlaamse) overheid moet net komaf maken met dergelijke schijnconflicten en mogelijkerwijs daaraan verbonden chantagemechanismen die leiden tot een besluitvorming à la tête du client. Ze moet daartoe het kader scheppen waardoor Vlaamse steden elkaar niet gaan beconcurreren en niet ‘alles in het werk stellen’ om ten koste van een doordachte ruimtelijke ordening een inderdaad belangrijk bedrijf als Alcatel binnen de stadsgrenzen te houden/halen. Wonen en werken vallen dan gerust te combineren binnen de grenzen van een ordentelijk, toekomstgericht bestuur.

Ook wat betreft de Robelco-realiteit zette de (Antwerpse) overheid zichzelf buitenspel. In mei 2000 keurde het college het MVRDV-masterplan goed, met de intentie om iets moois en goeds te maken van de Kievitwijk. Op dat moment bezat de projectontwikkelaar hooguit enkele kleine percelen in de noordoostelijke hoek van het gebied. Pas op 16 november 2000 kocht nv Hoteland, een dochtermaatschappij van Robelco, voor relatief weinig geld het grote en centraal gelegen perceel waarop het Alliance Hotel (ex-Switel) stond. Zoals voorzien in het decreet van 18 mei 1999 kon de stedelijke overheid in de periode daarvoor gebruik maken van het voorkooprecht en op die manier zelf een belangrijk stuk van de te ontwikkelen gronden in handen houden. Ooit had schepen van Sociale Zaken Marc Wellens dit deel van de Kievitwijk wettelijk als kansarm gebied laten vastleggen. Wanneer binnen zo’n gebied een transactie van onroerend goed plaatsvindt, moet de notaris dat aan de stadsdiensten melden voor de verkoopakte kan worden verleden. De stad mag het gebouw of de grond dan kopen aan de prijs die de kandidaat-koper biedt.

De beslissing tot aankoop van de Switelgronden werd effectief goedgekeurd door het college. Op 15 juni 2000 meldde de Gazet van Antwerpen dat de aankoopsom van 250 miljoen Belgische franken zou worden voorgeschoten door het Pensioenfonds. ‘Als eigenaar heb je veel meer sturingskracht,’ legde schepen van Ruimtelijke Ordening Erwin Pairon uit. ‘Binnen de plannen voor de Kievitbuurt wordt de plek waar nu nog het Alliance Hotel staat, ingenomen door acht kavels. Twee ervan zijn bestemd voor een nieuw hotel, twee voor kantoorruimtes en vier voor sociale woonfuncties. Op basis van dat laatste hebben we nu bij de notaris ten voorlopigen titel ons voorkooprecht opgenomen. (…) Het stadsbestuur heeft nu twee maanden de tijd om op verschillende vlakken verder te onderhandelen. (…) Nadat het schepencollege de definitieve aankoop goedkeurt (tot nu toe gaat het alleen om een principiële beslissing), heeft de gemeenteraad het laatste woord.’

Maar tijdens de buitenlandse afwezigheid van de bevoegde schepen en zonder zijn medeweten werd de beslissing plots herroepen (slechts drie schepenen verzetten zich hiertegen). Nooit werd uitgelegd waarom afgezien werd van het recht op voorkoop en waarom een dergelijk cruciaal gelegen stuk bouwgrond plus medezeggenschap over de ontwikkeling van het plein uit handen gegeven werd. Onlangs nog toonde de huidige schepen van Ruimtelijke Ordening Ludo van Campenhout zich erg blij toen bleek dat de projectgebieden van de NMBS in de Kievitzone, Nieuw Zuid en Spoor Noord eigendom werden van de staat, die ze wilde doorverkopen. ‘Gelukkig krijgt de stad de kans om de gronden te kopen en de ontwikkeling te sturen,’ vertelde de schepen aan Gazet van Antwerpen (22 oktober 2004.) Waarom was het schepencollege in de zomer van 2000 dan niet zo happig om het eigen geluk te bevorderen?

Het is een oude truc die telkens weer gebruikt wordt om slecht beleid te camoufleren. Met veel toeters en trompetten wordt eerst een kwaliteitsvol stedenbouwkundig of architecturaal concept uitgewerkt en goedgekeurd. De suggestie van een behoorlijk functionerende overheid is er. In decreten, studies of plannen wordt een principiële fermheid geëtaleerd die aansluit bij wat de civiele samenleving als norm belijdt. Daarna en ver weg van het publieke forum begint het gemarchandeer en het toegeven: onder druk vanuit de vastgoedsector en grote bedrijven (incluis overheidsbedrijven) wordt de geest van het aanvankelijke concept steeds verder ondergraven in vele opeenvolgende juridische, administratieve en politieke beslissingsmomenten, tot er nauwelijks nog wat overblijft van de oorspronkelijke uitgangspunten. Tegelijk wordt tijdens hoorzittingen, in de gedrukte overheidscommunicatie en in interviews wel nog voortdurend verwezen naar de basisprincipes van de stedenbouwkundige studie.

(Breder geschetst heeft men het in dit verband wel eens over een beleid ‘op zijn Belgisch’. Vaak worden aan beloftevolle intentieverklaringen en concrete doelstellingen een goede wetgeving gekoppeld. Maar vervolgens komt er te weinig geld op tafel, wordt onvoldoende personeel aangeworven, is er nauwelijks een omkadering, wordt geen fundamenteel wetenschappelijk onderzoek verricht, enzovoort. Kortom: de wil ontbreekt en bijgevolg ook de resultaten. Een goed wettelijk kader (de ethiek) is dus niets waard zonder een navenante praktijk.)

Dat het uiteindelijke resultaat soms haaks staat op eerder bejubelde stedenbouwkundige voorschriften, probeert men weg te redeneren door de kritiek gewoon te negeren, door het algemeen belang in te roepen of door met de vinger te wijzen naar andere overheden.

In 1995 schreef Peter Renard, toen journalist bij Knack, het volgende over ruimtelijke ordening: ‘In geen enkel ander politiek domein is de kloof tussen wat wordt verkondigd en wat wordt gedaan, zo immens’ (uit Wat kan ik voor u doen? Ruimtelijke wanorde in België: een hypotheek op onze toekomst). Hij beschreef hoe telkenmale ronkende regeringsverklaringen werden afgelegd vol stedenbouwkundig jargon over de bescherming van open ruimte en de herwaardering van stadskernen, waarna het tegenovergestelde vorm kreeg in een mist van discreet lobbywerk, stil cliëntelisme en sluipende besluitvorming. Grote creativiteit werd daarbij aan de dag gelegd bij het geven van afwijkende adviezen, het negeren van studies, het interpreteren van structuurplannen en het uithollen van decreten. Terecht noteerde hij in zijn besluit: ‘De overheid moet er op toezien dat er openheid komt in het beleid in plaats van de dossiers broksgewijze en te dikwijls ook en stoemelings klaar te stomen. (…) De Ruimtelijke Ordening moet dringend worden gepolitiseerd, ze moet het voorwerp uitmaken van een politiek debat en van politieke besluitvorming. (…) Het individuele beheer van telkens weer afzonderlijke dossiers, zonder omkadering en visie, heeft geleid tot de bestaande chaos waarbij de privé-sector de korte-termijnwinst opstrijkt en de overheid met de lange-termijnkosten wordt opgezadeld.’ Het Kievitdossier toont aan dat de zeden en gewoonten nog steeds dezelfde zijn.

Intriest is het te moeten vaststellen dat dit soort bijna uitsluitend op het bedrijfsleven afgestemde, ‘broksgewijze en en stoemelings klaargestoomde’ stadsontwikkeling net tegen het algemeen belang in gaat. Het is een problematiek waar ook de Bond Beter Leefmilieu aandacht voor vraagt in een recente werknota (september 2004). De Bond wijst erop dat bouwpromotoren en grote bedrijven (waaronder ook Eurostation, een dochteronderneming van de NMBS, in de rol van promotor en speculant) recentelijk in Brussel en in verschillende grote Vlaamse steden (Brugge, Gent, Antwerpen) zoveel vastgoedkracht ontwikkelen in stationsbuurten dat ze telkens weer evenwichtig uitgewerkte stadsvernieuwingsprojecten hypothekeren. Vaak wordt de negatieve erfenis ervan op de gemeenschap afgewenteld.

‘Grote vastgoedoperaties, kantoorprojecten en megawinkelcentra zijn een miljardenzaak geworden waarin niet veel meer dan een handvol internationale spelers aan de touwtjes trekken,’ schreef Mathias Danneels onlangs in een Commentaar (Het Nieuwsblad, 27 oktober 2004), waarna geen mooi maar – zo beseffen intussen de buurtcomités – helaas wel een realistisch beeld geschetst werd van hoe men in de sector te werk gaat. ‘Zij verkiezen bij voorkeur te opereren in een wat grijze schemerzone. Lobbyen kunnen ze als geen ander. Ze kennen de restaurants waar de echte beslissingen worden genomen als hun broekzak. Ze zijn ook absoluut niet vies van het “ons kent ons”-circuit waarin overheid, ambtenarij en zakenlui regelmatig tegen elkaar opbotsen.’ Bij de ontwikkeling van het Kievitproject bepaalden deze plutocraten de grondregels. Wie niet mee investeert, kreeg een rondje schijninspraak aangeboden. ‘Wonen, ruimtelijke ontwikkeling, het evenwicht tussen beton en groen en het vitaliseren van onze steden belangen de hele gemeenschap aan,’ vond nochtans ook Mathias Danneels. ‘Dorpen, steden en natuur horen alle mensen toe, niet een selecte club megalomane grootverdieners. Waar nodig dient de vrije markt dan ook te worden gecorrigeerd’ (Het Nieuwsblad, 27 oktober 2004).

Het omgekeerde gebeurde in zone A van de Kievitwijk: de markt dicteerde (letterlijk) de wetten, terwijl de gemeenschap bovenop de prijs die ze betalen zal voor het feit dat de overheid een buurtonvriendelijk complex vergunde ook nog eens een deel van de rekening gepresenteerd krijgt. Zo betaalt de Antwerpenaar via de stedelijke overheid een substantieel deel van de tunnel en het ondergrondse rond punt die de parkeergarages van Alcatel (Robelco) en de NMBS ontsluiten – 1,125 miljoen euro om precies te zijn (collegebesluiten 21 en 28 november 2003). Het gewest legt daar eenzelfde bedrag bovenop. Samen betalen ze meer dan wat de projectontwikkelaars investeren in de aanleg van de toegang tot de eigen parkeerplaatsen. De burger moet de kelk blijkbaar ledigen tot op de bodem: hij ziet het belastinggeld van een armlastige stad verdwijnen in de bouwput van een commercieel initiatief, terwijl de negatieve effecten ervan voor de omwonenden zijn. Het restaurant waar dit soort akkoorden gesloten worden moet toch wel heel straffe wijn schenken.

‘Het evenwicht tussen publieke en private belangen is in dit dossier volledig zoek,’ oordeelde socioloog/stedenbouwkundige Evert Lagrou. ‘Alcatel en projectontwikkelaar Robelco kunnen zich uitleven op een schitterende locatie, zonder dat de overheid daar via belangrijke investeringen in publieke ruimte iets voor terugkrijgt’ (Trends, 20 mei 2004).

De return on investment mag hier niet alleen naar de private sector gaan. Het is net omdat de lokale verankering van grootschalige bouwprojecten verwaarloosd wordt dat het algemeen belang geschaad raakt. Dat is de essentie. De buurtcomités vinden het een wat primaire redenering dat wie investeert meer inspraak verdient over de bouwvolumes, de functiebedeling, het aantal ondergrondse parkeerplaatsen en de inrichting van de publieke ruimte dan wie dat niet doet. Ook een versteviging van het sociale (wonen, spelen, ontmoeten) en het culturele (toerisme, recreatie, zacht uitgaansleven) dient het algemeen belang. Een lokaal bestuur dat dit laatste negeert, pleegt niet alleen schuldig verzuim maar ontzegt zijn kiezers elk recht op een leefbare woonplek. Zichzelf ontzegt het de mogelijkheid om duidelijke politieke keuzes te maken.

Een bestuur van een grote stad, dat aangeeft op een correcte manier te willen handelen, kan heus zelf de stedenbouwkundige invulling van een gemengde wijk begeleiden. Het Antwerpse college heeft daartoe wettelijke bevoegdheden, een bekwame administratie met de nodige know-how, een stadsbouwmeester en een deskundige Gecoro. Het gaf tussen 1998 en 2001 ook te kennen dit effectief te willen doen. Maar vanaf begin 2002 begon het fout te lopen. Vanaf toen verdween de besluitvorming achter gesloten deuren, wat finaal resulteerde in toezeggingen door het college aan de projectontwikkelaar en in de beslissing om het wettelijk kader te herformuleren op gewestelijk niveau. In de daaropvolgende periode gaven de stedelijke adviesraden (Welstandscommissie, districtsraad, Gecoro) telkenmale ongunstig advies aan het uitvoeringsplan en de ingediende bouwaanvragen, terwijl de gewestelijke instanties (respectievelijk Vlacoro en Arohm) weinig kritisch waren en zich veeleer opstelden als gewillige legitimeringsmachines.

Uit het advies van de Welstandscommissie – een instantie die in het leven geroepen werd om een breed draagvlak bij de bevolking te representeren – bleek overigens al een zekere vrees voor een te eenzijdige, te lakse advisering op het Vlaamse niveau: ‘Vervolgens dient het inrichtingsrapport niet enkel door de bevoegde planologische en stedenbouwkundige ambtenaren van het Vlaams Gewest voorgelegd voor advies, maar ook voor een kwaliteitsteam of begeleidingsteam ter goedkeuring voorgelegd te worden. Dit team waakt over de invulling van het Masterplan, of de kwaliteiten en uitgangspunten van het plan MVRDV voldoende worden doorvertaald naar het inrichtingsplan. Het team levert een bindend advies, dat juridisch verankerd zit in het GRUP’ (9 januari 2003). Zo’n team is er nooit gekomen. Jammer is dat, want nu bleef de goedkeuring van het GRUP een nogal intiem gebeuren, soms zelfs letterlijk. In zijn advies voor de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning van het bovengrondse complex schreef de gemachtigd ambtenaar van Arohm dat hij zich aansloot bij de eerder gegeven beoordeling van ‘de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar’ en hij daarom besloot ‘dat de inrichtingsstudie toereikend is in het kader van de aanvraag’ (17 februari 2004, blz. 6). In de praktijk blijkt het om een en dezelfde man te gaan. Hij sloot zich aan bij het standpunt van zichzelf. Is dit fair play? Juristen die zo’n argumentatie lezen zeggen dat ze dit zelf alvast niet moeten proberen in een pleidooi zonder zich tenminste ook kenbaar te maken als bron waarop ze steunen.

Een dergelijk dossier naar een hoger niveau trekken om private belangen te dienen schept een negatief precedent. Op die manier kan een stadsbestuur en zijn adviesraden altijd buitenspel gezet worden. Hoe kan het dan nog een ernstig beleid voeren waarop het afgerekend wordt? Hoe kan het in zo’n context verantwoording afleggen voor planologische fouten van formaat? Hoe kan het nog adequaat omgaan met speculatie, leegstand en een verdergaande verzuring van buurtbewoners, laat staan nieuwe bewoners naar de wijk lokken?

Het subsidiariteitsbeginsel wil dat politieke beslissingen genomen worden op de niveaus waar ze thuishoren, en dat liefst op een zo laag mogelijk niveau (dicht bij de mensen). Een bestuur dat werkelijk bekommerd is om de kwaliteit van het stedelijke leven mag zich dergelijke bevoegdheden simpelweg niet laten ontnemen. Het mag zich niet te volgzaam opstellen ten aanzien van het Vlaamse beslissingsniveau, waar minder rekening gehouden wordt met een concrete context. Naar aanleiding van een proefschrift door Pascal de Decker over het grootstedenbeleid had Yves Desmet het onlangs nog over ‘de lage politieke druk die vanuit de steden op de centrale overheid wordt gezet, en de haast slaafse gelatenheid waarmee men alles “van Brussel” ondergaat’ (De Morgen, 23 oktober 2004).

In de specifieke situatie waarin Antwerpen politiek verkeert, duikt bovendien wel eens onverdeeldheid op binnen het college, waarvan de Vlaamse overheid én zij die hun gelijk niet halen binnen de coalitie handig gebruik maken. Zo betreurde toenmalig schepen van ruimtelijke ordening Ann Coolsaet enkele jaren geleden nog openlijk dat het college er niet in geslaagd was eendrachtig op te treden in het Leiendossier, waardoor de hogere overheden vrij spel kregen. Met als gevolg: grote ondergrondse parkings en tunnels die van de verder verstandig heraangelegde Leien toch een halve autostrade zullen maken. Eenzelfde verdeel-en-heerssfeer beïnvloedde wellicht de behandeling van het Kievitdossier. En misschien is het antwoord op de vraag waarom de bevoegdheid over de herinrichting van het Kievitplein naar de Vlaamse regering verhuisde nóg eenvoudiger: bij het nemen van een beslissing die gevoelig ligt is het nu eenmaal gemakkelijker om met de vinger naar Brussel (of Europa) te wijzen dan om de eigen verantwoordelijkheid te erkennen.

Hemeltergend is het overigens dat de Antwerpse bestuurders zelf nauwelijks inspraak eisten en kregen in hoe het Kievitplein er zal uitzien, terwijl ze wel met de ondankbare taak opgezadeld zitten om de infovergaderingen met boze burgers te verzorgen en, straffer nog, door de Vlaamse overheid worden aangesteld als ‘onteigenende overheid’ (alhoewel het om de uitvoering van een GRUP gaat). Ook zal het de lokale gemeenschap zijn die uiteindelijk moet opdraaien voor investeringen in de veiligheid (bewaking, camera’s, politiepatrouilles) en het bestrijden van overlast (sluikstort, kleine criminaliteit, vandalisme).

Het Kievitdossier is een schrijnend voorbeeld van de these die professor Luc Huyse al enige jaren uitwerkt, namelijk dat de werkelijke beslissingsmacht zich niet langer in de beroepspolitiek situeert maar wel in economische en andere commandoposten. Politici worden herleid of herleiden zichzelf tot stromannen of speelballen van niet-verkozen medespelers (multinationals, vastgoedgiganten, mediaconcerns en grote advocatenbureaus maar ook ngo’s) en lopen zo de feiten achterna. Het is een van de factoren waardoor burgers zich in de steek gelaten, want niet langer vertegenwoordigd, voelen. Het Antwerpse stadsbestuur blijkt in het Kievitdossier onmachtig, de Vlaamse overheid onwillig (of al te gewillig, naargelang het standpunt). Het ontstaan van zo’n onoverheid of non-overheid beschouwen velen als de kortste weg naar de antipolitiek. Het af en toe organiseren van goed-gevoelmomenten (een laagdrempelig grootschalig evenement, opendeurdagen, het burgemeestersbal) of het restylen van een imago (nieuwe logo’s, nieuwe uniformen, trendy publicaties), hoe goed bedoeld ook, vermogen daar weinig tegen.

Projectontwikkelaars hebben zelden oren naar wat leeft bij stedenbouwkundigen, architecten, bestuurders en bewoners. Onlogisch is dat niet, want het streven naar winstmaximalisatie staat centraal. Precies daarom heeft de overheid de plicht om vooruit te kijken. Gouverner, c’est prévoir. Uit het huidige Vlaamse regeerakkoord blijkt een wil tot investeren in de kwaliteit van de stedelijke ruimte. Terecht en verstandig genoeg wordt daarbij voor wijkspecifieke projecten de mogelijkheid voorzien om participatief beleid uit te bouwen. In de Kievitbuurt blijft dit voornemen alsnog dode letter. Of zoals architect en criticus Koen van Synghel het formuleerde: ‘De praktijk wijst nu uit dat de stad Antwerpen, mede onder druk van de Vlaamse regering en in het bijzonder minister van Ruimtelijke Ordening Dirk van Mechelen, de belangen van de burger opzij heeft gezet en het rijke plan van MVRDV offert. (…) Langetermijnvisie, integratie van architectuur, stedenbouw, mobiliteit én veiligheid, allemaal belangrijke bevoegdheden van de Vlaamse overheid, gaan in dit cruciale project voor Antwerpen roemloos verloren’ (De Standaard, 25 mei 2004).

Leden van het huidige schepencollege zeggen wel eens dat het vorige college én Alcatel misbruikt werden door de projectontwikkelaar, en dat het stadsbestuur nu met een kwalijke Kieviterfenis zit waar het geen schuld aan heeft. De architect Jo Crepain formuleerde deze analyse onlangs nog wat minder beleefd: ‘Ze kregen het dossier gewoon door de strot geduwd’ (Zone 03, 6 oktober 2004) Een en ander is slechts ten dele waar. De Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar zetten het vorige en het huidige stadsbestuur inderdaad onder druk, maar dit volstaat niet om de eigen politieke verantwoordelijkheid te minimaliseren.

Ere wie ere toekomt: sinds 2000 tekenden enkele Antwerpse politici wel degelijk verzet aan tegen al te grote toegevingen van het college aan het Vlaamse Gewest, de promotor en Alcatel. De ‘bevoegde’ schepen van ruimtelijke ordening Ann Coolsaet (VLD) hoorde bij de drie schepenen (een minderheid) die MVRDV bleven verdedigen en stemde op 3 juli 2002 als enige schepen tegen de goedkeuring van het concept en het volumevoorstel voor de huisvesting van Alcatel, wegens haaks staand op het stedenbouwkundig masterplan dat zij als toenmalige bevoegde schepen van ruimtelijke ordening patroneerde. Vanuit de banken van de gemeenteraad bleef vooral raadslid Johan Bijttebier (Groen!) kritische vragen formuleren. Met aanhoudende kritiek op een ontsporend beleid maak je jezelf echter niet populair binnen de eigen partij, wanneer die deel uitmaakt van de coalitie. Zo lezen we op 14 oktober 2004 het volgende in de Gazet van Antwerpen: 'In de gemeenteraad stellen Johan Bijttebier (Groen!), ex-schepen Ann Coolsaet (VLD) en Paul de Loose (sp.a) zich vragen over de kwaliteitsbewaking. Schepen van Campenhout benadrukt dat het gaat om beslissingen van het vorige bestuur en dat men het dossier nu niet moet blijven besmetten.’ Met dat laatste woord hanteerde de schepen een wat ongelukkig gekozen beeld om politici terecht te wijzen die vragen om een transparante besluitvorming en respect voor de oorspronkelijke uitgangspunten.

De twee mandatarissen die zich het vaakst negatief uitlieten over de politieke afhandeling van het Kievitdossier beleefden hun meest dramatische moment tijdens de gemeenteraadszitting van 25 februari 2003. Verenigd in hun kritiek zagen ze zich ongewild toch tegenover elkaar geplaatst. Het was de periode waarin een openbaar onderzoek liep rond het GRUP-ontwerp (6 januari tot 7 maart 2003). In de collegezitting van 12 februari werd de gemeenteraad verzocht om over dat voorlopige uitvoeringsplan advies uit te brengen, en meer bepaald over het ontwerp van advies dat het college had opgesteld. Gemeenteraadslid Johan Bijttebier diende daarop een amendement in, dat het verdient uitgebreid geciteerd te worden:

‘Overwegende dat bij de stadsdiensten (Welstandscommisie 9/1/03 en Gecoro dd 9/1/03) en de Antwerpse districtsraad klare adviezen werden uitgewerkt maar amper zijn weergegeven en bovendien niet beantwoord in het eindvertoog van het Gemeenteraadsbesluit en dit met name in de punten 1 tot en met 6.
Overwegende dat een ongewijzigd GRUP het risico met zich meebrengt dat de Antwerpse stationsbuurt zich zal ontwikkelen zoals de buurt rond Brussel Noord.
Overwegende het feit dat het nochtans perfect mogelijk is, op basis van de adviezen, de eisen van een goede ruimtelijke ordening te verzoenen met de komst van de Alcatelvestiging aan het centraal station.
Overwegende dat het GRUP onvoldoende rekening houdt met de basisprincipes van het, door het schepencollege ingehuurde, architectenbureau MVRDV en daardoor onvoldoende harmonisch aansluit op de omgeving en ten slotte niet getuigt van architectonische rijkdom en expressie.
Stellen wij voor het advies te wijzigen, toe te voegen en aan te passen met de volgende amendementen:
Art.1 punt 2 te vervangen door volgende tekst: “Het basisidee moet zijn dat – om een kwalitatief en duurzaam stedelijk weefsel te creëren – de verweving van werk en woonfunctie noodzakelijk is en dat het GRUP dit onvoldoende garandeert. De functie “wonen” dient in elke zone een minimum van 30% van vloeroppervlakte te reserveren. Aangaande het gelijkvloers moet 70% van de gelijkvloerse gevellengte voorbehouden blijven aan functies met publieke uitstraling zoals horeca, handel, kribbe en postkantoor en/of aan de functie wonen” (advies GECORO dd. 9/1/03).
(…) Art.1 uit te breiden met punt 7 en 8:
(…) 8. “Voor de te bouwen kavel grenzend aan de Zoo moet de binding met de Zoo zowel functioneel worden gerealiseerd als architecturaal worden vertaald” (advies districtsraad Antwerpen).’

Vanop de banken van de gemeenteraad motiveerde Johan Bijttebier nog eens de inhoud van zijn amendement: ‘Uit een vergelijking van de adviezen van de instanties die we zelf hebben aangeduid met het ontwerpbesluit blijkt dat daarin, met uitzondering van het gedeelte met betrekking tot het parkeren dat heel uitvoerig is, onvoldoende rekening wordt gehouden met de adviezen van de stadsinstellingen.’ Vandaar een amendement waarin de belangrijkste aandachtspunten uit de verschillende ingewonnen adviezen van de districtsraad, de administratie, Gecoro en de Welstandscommissie gewoon nog eens op een rij worden gezet.

Hij besloot met een scherpe afwijzing van het door het college opgestelde ontwerpbesluit: ‘Het advies houdt onvoldoende rekening met de basisprincipes van het studiebureau MVRDV. Bovendien ontbreken alle goede basisprincipes voor een goed ruimtelijk ordeningsplan en kan men hiermee alle kanten uit. Moeten er woonfuncties komen en hoeveel? Is er verwevenheid van werken en wonen? Hoe staat het met de maximum hoogte en de diversiteit van de gebouwen? Welke zijn de plannen in verband met de open ruimte? Werd rekening gehouden met een goede aansluiting op de omgeving en een mooie aansluiting op de Zoo? Wat met de groene zone?

Alles wordt vaag gehouden op verzoek van Robelco, dat zich niks aantrekt van de basisprincipes van het door ons aangesteld studiebureau en er overigen alle banden mee verbroken heeft.

(…) Gecoro, de Antwerpse districtsraad en de bewoners in de onmiddellijke omgeving van het Kievitplein vragen met aandrang dat het college dit advies beter uitwerkt en meer garanties inbouwt, niet alleen voor de tewerkstelling maar eveneens voor een goede ruimtelijke ordening, goede aansluiting op de omgeving, en met oog voor leefbaarheid op maat voor wie er werkt en leeft. Voorts vragen zij ook duidelijkheid over de onteigeningen.

Zonder de tewerkstelling te schaden en het advies van het schepencollege te amputeren kan dit advies perfect worden aangevuld met het door mij ingediende amendement. Er is trouwens geen enkele rationele reden om dat niet goed te keuren, tenzij het gezagsargument, maar we moeten de belangen van de generaties na ons verdedigen.

De begroting van de politie kan men corrigeren. Men kan een paaltje weghalen of er een bijplaatsen, maar de ruimtelijke ordening bepaalt de toekomst jarenlang en kan niet door onze opvolgers in de gemeenteraad worden hersteld. Daarom moeten we ervoor zorgen dat een goed doordacht advies wordt geformuleerd, waarbij het uiteraard van belang is dat Alcatel hier blijft. Mevrouw de voorzitster, ik besluit. Het stadsbestuur moet vlot en objectief onderhandelen met promotoren en bedrijven, met of zonder PPS, maar dat betekent niet dat we plat op onze buik moeten gaan en onderdanig de dictaten van de promotoren moeten ondergaan. Wij zijn patriciërs, Antwerpen is een stad van standing. Een stad van standing dwingt respect af door duidelijke eenvormige procedures, onder toezicht van de schepen voor ruimtelijke ordening, de bouwmeester, een eendrachtig schepencollege en een kundige administratie.

In deze heeft de administratie goed geadviseerd. Laten wij er niet alleen naar verwijzen, maar dat advies ook opnemen in het ontwerpbesluit.’

Het was Ann Coolsaet, de toenmalig bevoegde schepen van ruimtelijke ordening, die daarop het finale woord kreeg van burgemeester Leona Detiège. Ze nam de kans te baat om nog eens haar puntjes op de i te plaatsen: ‘Alleszins werd het voorliggend advies vooraf terdege besproken, waarbij economische argumenten werden afgewogen tegen stedenbouwkundige. De economische belangen zijn evenwel zo groot dat ze de bovenhand hebben gehaald op stedenbouwkundige overwegingen. Daarom werd een belangrijke bijsturing toegestaan op het plan dat door MVRDV voor deze site werd uitgetekend.

Het had inderdaad misschien anders kunnen lopen, maar dat zullen we nooit te weten komen. Het is misschien ook juist dat van de goede intenties van de stad en Alcatel om het project samen te realiseren door de projectontwikkelaar allicht wat te handig gebruik is gemaakt om het maximale binnen te halen en dat in dit dossier ook met emotionele druk werd gewerkt. Vergeten we ook de tijdsdruk niet: alles moet heel snel gaan, waardoor niet veel nog ten gronde kan worden uitgedetailleerd.

Mijnheer Bijttebier, u hebt de aandacht gevestigd op behartenswaardige belangen, waarin ik me in zekere zin kan terugvinden. Het is evenwel aan de gemeenteraad om daarover uitspraak te doen.’

Het waren zure woorden, welhaast een koningsdrama waard. Uitgerekend Ann Coolsaet moest hier de bittere pil vergulden en slikken. Zelf had ze als enige schepen op die cruciale derde juli van 2002 tegengas gegeven in haar weigering om verregaande tegemoetkomingen aan Alcatel goed te keuren. Wie tussen de lijnen lezen wil, begrijpt dat de schepen hier nog een laatste keer haar frustratie ventileerde en misschien zelfs voor het nageslacht wilde laten vastleggen dat zij alvast niet medeplichtig was. Ze bracht in herinnering dat de overheid zich gedwongen zag om de eigen onmacht te erkennen, gezien de economische belangen, de tijdsdruk en de emotionele chantage.

Het amendement werd verworpen met 24 stemmen (incluis de huidige schepen van ruimtelijke ordening) tegen 4 (de groene fractie). Krachteloos liet de gemeenteraad zich toen definitief in het bad trekken. Een weg terug was er niet meer. Later nog vergunningen tegenhouden op basis van een ernstig wettelijk kader was niet langer een optie. Er waren 17 onthoudingen, met name de voltallige fractie van het Vlaams Blok plus gemeenteraadslid Kathleen van Brempt. Zich onthouden was in de gegeven context al een daad van rebellie.

Bij de stemming was toenmalig gemeenteraadslid en huidige burgemeester Patrick Janssens niet in de raadszaal. Toch was hij aanwezig die avond. Hij maakte van de bewuste gemeenteraad zelfs een memorabele bijeenkomst, want het was op die avond dat hij een mondelinge vraag zou stellen over de financiële en juridische implicaties van het collegebesluit van 12 februari 2003 over … het grijs schilderen van het stadsmeubilair. De volgende dag had de pers alleen aandacht daarvoor. In de loop van de volgende dagen brak vervolgens het VISA-schandaal uit.

Het werd dus toch nog een historische avond, zij het om de verkeerde reden. Het nefaste en zeer verstrekkende advies over het Kievitplein-GRUP bleek geen nieuwswaarde te hebben. Dat het stadsbestuur zichzelf op 25 februari 2003 een brevet van onmacht had toegediend, was een vaststelling die tussen de plooien van de schandaaljournalistiek verdween. Tragisch is het dat de berichtgeving over aantoonbaar onbehoorlijk bestuur het afleggen moest voor een heksenjacht, die in de loop van de daarop volgende maanden bovendien zoveel politieke heisa en zelfs een bestuurlijk vacuüm zou veroorzaken dat een complex stedenbouwkundig dossier al helemaal aan het oog van de publieke opinie onttrokken werd. Voor wie vastgoedzaken het liefst in de luwte regelt, was dit het gedroomde scenario, of toch op zijn minst een meevaller.

Er was niet alleen de door-de-strotfactor maar ook een haast-je-rep-jesfeer die bestuurlijke desinteresse voor de kwaliteitsopvolging uitstraalt. Na veel voorbereidend overleg onthaalde het college op 26 juni 2002 een voor alle direct betrokken partners aanvaardbaar inrichtingsvoorstel gunstig. In het verslag van de zitting van amper een week later (op 3 juli 2002) lezen we plots: ‘Na deze laatste rapportering was er een wending in het dossier ten gevolge van toetsing visie hoofdkantoor Alcatel Parijs. Er werd een nieuw voorstel opgemaakt door Robelco en Alcatel omwille van de verhoudingen tussen bruto en netto oppervlakte, de interne circulatie in het Alcatelgebouw en de brandvoorschriften. Dit voorstel wijkt af van het aanvaarde voorstel van 26 juni 2002.’

Een van die wijzigingen betrof de verbindingen tussen de bouwblokken: ‘Tussen de drie bouwblokken van Alcatel wordt een volume voorzien met centrale toegang op het gelijkvloers.’ In de toelichtingsnota van het uiteindelijk pas op 24 oktober 2003 goedgekeurde GRUP (Belgisch Staatsblad 24 november 2003) staat nochtans: ‘Verbindingen tussen de gebouwen over een strook open ruimte zijn mogelijk. Er moet wel vermeden worden dat de verschillende gebouwen “aan elkaar klonteren”. De luchtverbindingen (= onze cursivering) kunnen bijgevolg beperkt blijven tot passerelles van zuiver functionele aard, die maximaal 2 niveaus kennen.’ Op de finale, goedgekeurde bouwplannen worden niet langer drie maar vier kantoorblokken van Alcatel van de gelijkvloerse tot de zesde verdieping aan elkaar bevestigd. Meteen worden twee oorspronkelijk voor het publiek toegankelijke wandelassen afgesloten.

Vier academici, leden van de Stuurgroep Stedelijke Invulling Kievitsplein (die indertijd het MVRDV-ontwerp goedkeurde), dienden een bezwaarschrift in: ‘De bovengrondse verbinding tussen de gebouwen moet uitdrukkelijk beperkt worden tot één verdieping en op minstens 15 m hoogte om doorkijk te waarborgen. Zo niet ontstaat een ongewenste schaalvergroting die in de planoptie uitdrukkelijk werd tegengegaan. Dit zal ook de functiemenging storen.’ De Vlacoro gaf daarop een laconiek advies: ‘Vlacoro verwijst hier naar punt 1.4.2 van de toelichtingsnota waar ontwikkelingsperspectieven naar voren geschoven worden omtrent luchtverbindingen. Vlacoro meent dat de uitwerking daarvan niet in het RUP dient opgenomen, maar in het inrichtingsrapport waar, op basis van de in het punt 1.4.2 en de eisen gesteld aan de inhoudelijke elementen bij de verordenende stedenbouwkundige voorschriften, een kwalitatieve vertaling kan gegeven worden die beantwoordt aan de verzuchtingen van de bezwaarindiener’ (27 mei 2003). Vervolgens kwam er het atrium, dat reeds een klein jaar eerder toegezegd was door het stadsbestuur. Of: hoe laat je openingen in het GRUP om de projectontwikkelaar ter wille te zijn.

Als klap op de vuurpijl schuift het college op 3 juli 2002 als voorwaarde naar voor dat de verbinding tussen de (toen nog) drie bouwblokken moet worden afgebroken wanneer Alcatel de site verlaat, opdat de bouwblokken afzonderlijk zouden kunnen functioneren. Erkend wordt dus dat het opgeven van de doorwaadbaarheid geen goede zaak is en slechts tijdelijk mag zijn. Besturen is vooruit kijken, maar dit soort vooruitziendheid is een belediging voor de protesterende omwonenden en ook niet weinig naïef. Want wat als de volgende huurder net gecharmeerd is door het verbindende atrium? Bovendien zal de noordelijke helft van zone A na een mogelijk vertrek van Alcatel en een eventuele afbraak van het verbindende atrium evengoed louter kantoorgebied blijven, of de blokken nu afzonderlijk functioneren of niet. Zelfs met een verbeterde doorwaadbaarheid blijft het een slechte keuze om zo radicaal voor niet-vermenging van kantoor-, woon- en dienstenfuncties te kiezen. En wie zal finaal de afbraak betalen, want hoe sluitend is de aangegane garantie dat de projectontwikkelaar instaat voor de kosten ervan?

‘Het voorstel voorziet volgende functies: kantoorgebouw Alcatel, businesscenter, hotel en een residentieel gebouw,’ lezen we ook nog in het verslag van 3 juli 2002. Waarna volgt: ‘Het college acht de diversiteit aan functies voldoende. Het voorliggend voorstel creëert bijgevolg een evenwicht tussen het voorgestelde programma van Alcatel en het stedenbouwkundig plan.’ Uit deze inschatting blijkt een verregaande onverschilligheid en nonchalance door het toenmalige college, want het voorstel benadert zelfs niet eens een vorm van evenwicht. Op 1 residentieel gebouw na wordt de hele zone uitgebouwd rond het functioneren van Alcatel, dat zich door het verbindende atrium afsluit van de omgeving en openbare ruimte privatiseert. ‘De open ruimte tussen de Alcatelgebouwen C-F en D-E is momenteel in het ontwerp ontoegankelijk voor het publiek, maar de visuele doorlaatbaarheid blijkt wel aanwezig,’ lezen we in het collegebesluit van 9 januari 2004. Van doorwaadbaarheid naar doorlaatbaarheid: de bewoners mogen dankzij een dislectische lectuur van de feiten genoegen nemen met het gegeven dat ze de overzijde kunnen zien.

Het businesscenter zal als bijkomende vergader- en congresruimte flexibel ingevuld worden door Alcatel, het hotel is eraan verbonden. Monofunctioneler kan het haast niet. De zeven gebouwen hadden net zo goed in een industriepark kunnen staan. Het enige wat hen met de omgeving bindt is het Centraal Station als toevoer van personeel of hotelgasten, een tijdens de werkuren geopend broodjesrestaurant in gebouw C van Alcatel, een taverne op de gelijkvloerse verdieping van het businesscenter en enkele commerciële handelsruimtes in drie gebouwen.

Het was de huidige bestuursploeg die op 20 februari 2004 de stedenbouwkundige vergunning verleende voor de op 14 november 2003 ingediende aanvraag ‘voor het bouwen van het bovengrondse gebouwencomplex “Kievitplein”’, nadat het ook al de ondergrondse parking had vergund. In de marge werden wat opmerkingen geformuleerd over de brandveiligheid, het verbindingsatrium tussen de blokken C tot F en de mogelijke verlaging van het grondwater. Over de grond van de zaak – met name dat het een stedenbouwkundige vergissing van formaat betrof – werd niet gerept. Wel liet men passeren dat in het GRUP voorziene wandelruimte plots afgesloten wordt voor … het publiek, dat ook meegetelde publieke binnenruimte op het gelijkvloers niet echt toegankelijk is, dat er geen plein komt in zone A (ofte ‘gebouwencomplex “KievitPLEIN”’), dat nauwelijks woonruimte voorzien is op de bouwplannen, dat een als ‘residentieel’ opgegeven gebouw vooral vergaderlokalen en hotelkamers telt, dat de verhouding tussen ruimte voor werken en wonen maar ook tussen het publieke en het private het omgekeerde is van wat in het masterplan gesuggereerd werd, enzovoort.

Dat een college letterlijk over één nacht ijs kan gaan bij het nemen van cruciale beslissingen blijkt uit de bewonderenswaardige snelheid waarmee de kabinetten bepaalde informatie verwerken. Op 17 februari 2004 verstuurt de gemachtigde ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen (AROHM) zijn dertien bladzijden tellend advies over de ingediende inrichtingsstudie en zijn tweeëntwintig bladzijden tellend bouwaanvraagadvies vol bijkomende opmerkingen, juridische toetsingen, verwijzingen naar mogelijke inconveniënten (o.a. dat nog moet ‘worden nagegaan of de ingediende bezwaren gegrond zijn en kunnen leiden tot een weigering van de vergunning en dit ongeacht de gevoerde procedure’) en zelfs een suggestie van onrechtmatigheid wat betreft het eigenaarschap (op blz. 10 is Robelco ‘eigenaar van de percelen binnen de zone A’, maar op blz. 13 is dat al niet meer zo duidelijk) naar het college van burgemeester en schepenen. Op 19 februari belandt de bundel papieren bij de stafdienst inkomende stukken en één dag later verleent het college de stedenbouwkundige vergunning voor het volledige bovengrondse complex op zone A.

In het huidige college zetelen zes schepenen uit het vorige college (dat is een meerderheid). Beweren dat het Kievitdossier een kwalijke erfenis is uit het verleden, is dus eerder een soort schuldbekentenis. Bovendien waren de meeste nieuwkomers in het huidige college gemeenteraadsleden onder het vorige bestuur: ook toen hadden ze protest kunnen aantekenen en de schepenen uit hun partij bevragen.

Correct is het te beweren dat het huidige college doorgaans inderdaad meer belang hecht aan goede stedenbouwkunde dan het vorige. Het nieuwe team is meer doordrongen van het besef dat een goede ruimtelijke ordening een positieve impact heeft op het sociale weefsel en zelfs op maatschappelijke ontwikkelingen. Het communiceert daar vaak over en de burgemeester, de schepen van ruimtelijke ordening en de schepen van wonen handelen er ook meer en meer naar. Dat maakt hun gelaten houding tegenover ondoordachte ‘beslissingen van het vorige bestuur’ des te pijnlijker. Liever zagen de buurtcomités dat ze alsnog hun nek uitsteken en niet de andere kant opkijken.

‘Sorry, het is te laat’ krijgen de bewoners al ruim twee jaar te horen. Neen, het is nog niet te laat. De gebouwen staan er nog niet, de inrichting van het bovengrondse complex kan nog losgekoppeld worden van de inrichting van de reeds in aanbouw zijnde ondergrondse parking, zo wordt ons door externe architecten bevestigd. Dat blijkt ook uit het feit dat de bouwaanvragen voor beide complexen op verschillende momenten (30 september en 14 november 2003) ingediend en apart behandeld werden. In zijn besluit van 21 november 2003 stipte het college overigens zelf het volgende aan: ‘Een beslissing over de ondergrondse parking houdt geen goedkeuring in van de hoogte, vorm, structuur, materialen, bekleding, … van de bovengrondse bebouwing.’ De nieuwe wijk bestaat alleen in aangegane engagementen, vergunde bouwaanvragen, betaalde architecten en gedeeltelijk gegoten fundamenten waarvan deskundigen beweren dat ze de enige echt duurzame elementen zijn in het hele project, zo duurzaam dat je er nog vanalles op kan bouwen. Het is vooralsnog een virtuele wijk. Gelatenheid is een te smalle basis om een beleid te legitimeren. Bewust fouten maken is geen optie. Nu rest nog heel even tijd om samen te gaan zitten en het roer om te gooien. Wat op het spel staat is: het evenwicht bewaren in een fragiele woon- en werkwijk en tegelijk een prikkelend, voor alle inwoners uitnodigend grootstedelijk element toevoegen aan Antwerpen.

Dat dit op een voor alle partijen correcte manier moet gebeuren is evident. Dat de overheden, de hoofdhuurder/bouwheer en de projectontwikkelaar tegemoetkomingen zullen moeten doen ook. Voor het stadsbestuur en het Vlaamse Gewest kan dit – in het kader van behoorlijk bestuur en rechtszekerheid – betekenen dat het leveren van nieuwe bouwvergunningen prioritair behandeld wordt en dat financiële compensaties worden uitgekeerd voor bepaalde door de bouwpromotor gemaakte kosten. Voor Alcatel betekent dit een herziening van de timing (en gedeeltelijk ook van het lastenboek). De mogelijkheid is er, want de stedelijke administratie plant haar intrek in de voormalige Alcatelgebouwen op het Zuid pas voor midden 2007. Alcatel kan de verhuis dus opschuiven van augustus 2006 naar het daarop volgende voorjaar. Ook voor Robelco zijn er consequenties: de promotor zal een deel van het afgelegde parcours opnieuw moeten afleggen en het bouwproces gedeeltelijk moeten heropstarten, met nieuwe bouwaanvragen, herziene contracten met aannemers en onderhandelingen over het inruilen van reeds bestelde materialen. Architecten dienen op korte termijn een bouwtechnisch complexer want gemengder alternatief te berekenen en uit te tekenen. In dit multifunctionele project zal Robelco bovendien ook meer rekening moeten houden met mede-eigendomconstructies (bij de appartementen).

Laten we gewoon de moed hebben om Antwerpen te geven wat het verdient: een volwaardig HST-station met aan de toegangspoorten alleen maar voorkanten, waarbij pleinvorming, een verwevenheid van functies, goede doorwaadbaarheid en hoogwaardige architectuur telkens de bepalende elementen zijn. Altijd en overal volk op straat: dat moet de betrachting zijn, ook in de Kievitwijk. Want anders had men het nieuwe bouwproject evengoed naar een kantoorweide ver buiten het stadscentrum kunnen verwijzen.

E. Het juridische luik: van bouwput naar beerput

(verschijnt on-line op 24 november 2004)

F. Historiek van een groeiende verontwaardiging

(verschijnt on-line op 17 november 2004)

Manu Claeys voor De Ploeg
i.e. de buurtcomités Kievit, Zurenborg, Provinciestraat, Dominicushuis, Milisstraat en den Dreihoek