![]() | ![]() |
![]() De Ploeg Kievitbuurt Klooster en kerk In de pers
Inschrijven op de nieuwsbrief?
Geef dan hier je emailadres: |
De Ploeg: Visie
Red de kievit! Nota De Ploeg, 7 november 2004 Dit is de volledige nota. Inleiding Achter de Zoo van Antwerpen – tussen de dierentuin, de spoorweg, het kantoorcomplex van de Vlaamse overheid en de Lange Kievitstraat – lag decennialang het immense Kievitplein te verkommeren. In een hoek ervan stond het Switelhotel met daar omheen een grote open ruimte die diende als parkeerterrein en sluikstort. In de omliggende straten heerste leegstand en verkrotting, in de hand gewerkt door een samenspel van politieke onverschilligheid en speculatie door projectontwikkelaars en NMBS-Eurostation (want stedelijk verval komt er niet vanzelf). Het is daarom een goede zaak dat het Kievitplein eind de jaren negentig eindelijk een nieuwe invulling toebedeeld kreeg, nadat beslist was dat de HST tot in Antwerpen-Centraal rijden zou. Ook de zeven lokale buurtcomités juichen de vernieuwing van deze lang verwaarloosde maar voor Antwerpen uitermate betekenisvolle plek toe. Ze verzetten zich echter tegen de kortzichtige manier waarop de projectontwikkelaar, in samenspraak met de overheden en de toekomstige hoofdhuurder, dit stukje Antwerpen wil uitbouwen. Bouwpromotor Robelco, het Vlaamse gewest, het Antwerpse college en het telecombedrijf Alcatel bewijzen Antwerpen in het algemeen en de toekomstige gebruikers van de nieuwe stadszone in het bijzonder immers geen dienst door eenzijdig te kiezen voor een quasi-monofunctionele, pleinloze kantoorwijk met lange blinde gevels, doodlopende wandelstegen en een ‘lege’ sfeer na de werkuren. Antwerpen heeft nood aan een levendige face-lift in het hart van de stad, niet aan een tweede Brussel-Noord. De Kievitbuurt hoopte op aansluiting bij het nieuwe dat er komen zou. Wat de buurt krijgt is een kantoormassa die zich afwendt van de onmiddellijke omgeving. Al enige jaren verenigd onder de noemer Van Kievitaal Belang en sinds deze zomer ook in De Ploeg weigeren de buurtcomités zich neer te leggen bij wat gaandeweg verwerd tot een ordinaire vastgoedoperatie, waarbij de overheid zelf wettelijke voorschriften terzijde schoof om een privé-initiatief ter wille te zijn. Concreet liet de stedelijke overheid de projectontwikkelaar bepalen hoe een gebied van 12.000 m² bouwoppervlakte op een A-locatie in volle stadscentrum zou ingevuld worden, waarna de Vlaamse overheid in functie daarvan een wettelijk kader liet opstellen, dat op cruciale punten bovendien zo vaag gehouden werd (= de wetgevende macht als zichzelf opheffende regulator) dat de bouwheer er alle kanten mee uit kon. Het is de wereld op zijn kop en een kaakslag voor duizenden Antwerpenaren die in en rond de Kievitbuurt wonen. De burger die een tuinhuis wil bouwen of een boom wil vellen, moet zich aan een strikte regelgeving onderwerpen. Voor de grootste naoorlogse bouwwerf in Vlaanderen (uitgezonderd infrastructurele werken) gelden echter andere criteria. Hier is simpelweg sprake van een democratie met twee snelheden. De aanklacht betreft dus niet alleen het gebrek aan stedenbouwkundige kwaliteit van het geplande Kievitproject (het hart van Antwerpen) maar ook het schijnspel van inspraak en de op zijn minst slordige omgang met de voorgeschreven procedures die de hele beslissingsronde kenmerken (het hart van de democratie). De buurtcomités betreuren het dat de burger en de adviserende instanties die de civiele samenleving vertegenwoordigen stelselmatig bedrogen of op een zijspoor geschoven werden, en roepen alle geïnteresseerde partijen - politici, planologen, stedenbouwkundigen, projectontwikkelaars, gemachtigde ambtenaren, architecten, sociologen, journalisten – op om alsnog hun verantwoordelijkheid op te nemen. Verschillende Antwerpse schepenen en gemeenteraadsleden hebben zich de voorbije maanden voluit ingezet om het nabijgelegen kloostercomplex in de Ploegstraat van de sloophamer te redden. Nu is de tijd aangebroken om met eenzelfde inzet een volgende, gedurfder stap te zetten. Recentelijk nog klasseerde het weekblad Zone 03 het geplande Alcatel-complex op het Kievitplein als ‘de laatste vergissing die Antwerpen stedenbouwkundig gemaakt heeft’ (6 oktober 2004). Architect Jo Crepain had het over ‘een miskleun’. Eerder noemde Vlaamse bouwmeester bOb van Reeth het nieuwe Kievitplein ‘knoeiwerk’ en het resultaat van slecht beleid. Socioloog Evert Lagrou vond dat ‘de leefbaarheid van een belangrijk stadsdeel werd opgeofferd’ en ‘dat betekent ’s avonds gegarandeerd gelijkaardige problemen als in de Brusselse Noordwijk’ (Trends, 20 mei 2004: ‘Het Antwerpse Kievitplein: fiasco in de maak?’). In een werknota had de Bond Beter Leefmilieu het dan weer over ‘een ramp voor de Antwerpse binnenstad die zich er aan het voltrekken is’ (september 2004). Welke Antwerpse beleidsverantwoordelijken geven zomaar hun goedkeuring aan knoeiwerk, om er nadien nog jarenlang mee geassocieerd te worden? Welke bouwpromotor bouwt zo halsstarrig een miskleun? Wie wil in een rampgebied werken? Of ernaast wonen? De buurtbewoners alvast niet. Zij geloven niet in het bewust begaan van een vergissing die nog gebouwd moet worden en trekken daarom aan de alarmbel, voor het definitief te laat is. Met de herinrichting en nieuwe invulling van het Kievitplein krijgt Antwerpen een unieke kans. We mogen die niet missen. Voor antwoorden op hun vragen en oplossingen voor de gestelde problemen richten ze zich in eerste instantie tot de projectontwikkelaar, de belangrijkste ‘bouwheer’ (Alcatel), het stadscollege en de bevoegde Vlaamse minister van ruimtelijke ordening, maar ook tot de directie van de dierentuin en de NMBS, als aanpalende partners. Tegelijk willen ze het brede publiek mobiliseren. Als betrokken burger – zo ervoeren de buurtcomités in de voorbije jaren – word je bij dit soort grootschalige operaties vaak beleefd buitenspel gezet. Je wordt vrijwel gedwongen om via pers, parlement (vragen en verzoekschriften) en zelfs het gerecht (van stakingsvordering bij de rechtbank van eerste aanleg tot klacht bij de Europese Commissie) je gram te halen, alleen maar omdat je duurzame stadsontwikkeling verkiest boven het korte-termijnrendement. Het is een evolutie die de bewonersgroepen zelf met pijn in het hart moeten vaststellen. Tijdens de voorbije jaren groeide bij de lokale buurt- en actiecomités een pessimisme over de wil van de overheden om de geplande ontwikkeling van de Kievitwijk te kaderen binnen een goed doordachte en voor meerdere partijen aanvaardbare visie. De bewoners beseffen dat dit soort pessimisme zich gemakkelijk vertalen laat in antipolitieke gevoelens. Onder andere dit besef sterkt hen in de overtuiging dat je als bewonersgroep een punt kan bereiken waarop stilzwijgend toezien de antipolitiek alleen nog meer dreigt te voeden. Niet handelen wordt dan schuldig verzuim ten aanzien van de maatschappij. Wie blijvend wijst op gemiste kansen verwoordt tenminste de hoop dat de dingen nog veranderen kunnen. Door hard en radicaal aan de alarmbel te trekken open je misschien de weg naar een structurele aanpak van de problemen, die deels te herleiden zijn tot gevolgen van onbehoorlijk bestuur. Een beter en meer transparant beleid dient nu eenmaal afgedwongen: het is nooit anders geweest. Wie aan de legitimiteit van de gevoerde politiek zelf raakt krijgt de dingen in beweging. Tegelijk willen de buurtcomités met een grondig gemotiveerde stedenbouwkundige analyse en een visueel tegenvoorstel aantonen dat ze niet verzuurd bij de pakken blijven zitten, dat er nog andere, constructieve manieren zijn om de druk te verhogen dan het incidentele succes van de antipolitiek. Ze weten zich daarin gesteund door politici die zelf vragende partij zijn in de zoektocht naar opener en meer dynamische manieren (dan de zoveeljaarlijkse stembusgang en de obligate infoavond) om de bevolking te betrekken bij beslissingsprocessen. Ze laten zich daarbij graag inspireren en ondersteunen door het Antwerpse open burgercollectief StRaten-Generaal , de Bond Beter Leefmilieu en de Voetgangersbeweging, die niet alleen solidair zijn in de verontwaardiging maar tevens dossierkennis inbrengen en mee de schouders zetten onder het verbreden van het vizier en het daarbij horende netwerk. Het is goed dat dergelijke instanties zich associëren met bepaalde vormen van bewonersprotest, want anders dreigen burgers zich wel eens te verliezen in het particuliere karakter van een dossier (= belangrijk voor de buurt), waarbij de aandacht verslapt voor wat structureel fout loopt. Zo kunnen buurtverenigingen ontdekken dat wat zich in hun achtertuin voltrekt geen alleenstaand geval is, waardoor ze zich minder eenzaam in de strijd voelen. Vaak constateren buurtbewoners ook dat velen van goede wil niet weten waar het eigenlijk om gaat. Omdat De Ploeg het zonde vindt dat zo’n belangrijke stedenbouwkundige ingreep niet het voorwerp werd van een brede discussie en in de hoop dat een diepgaande doorlichting van het dossier als breekijzer leiden mag tot een transparanter besluitvorming in het bijzonder en een mentaliteitswijziging bij overheden en projectontwikkelaars in het algemeen (want het Kievitdossier is geen unicum), wordt hier alles nog eens op een rij gezet. Wat zit fout in de geplande invulling van het Kievit-bouwproject en wat was er dan wel zo goed aan het oorspronkelijke masterplan (zie A.)? Wat verwachten de buurtcomités in deze late fase (zie F.) nog van de bouwpromotor, de ‘bouwheer’, de overheden en de directie van de dierentuin (zie B.)? Waarom stimuleert een overheid die belangengroepen op hun wenken bedient en daarbij de civiele samenleving negeert alleen maar de antipolitiek (zie D)? Waarom vermoedt De Ploeg dat het hier gaat om een van de grootste bouwmisdrijven die Vlaanderen ooit kende, mede door de bijna niet voor mogelijk geachte veelheid aan procedurele onregelmatigheden (zie E.)? En vooral: hoe kan het streven naar kantoorbouw én naar een levendige stadscultuur met aandacht voor de noden van bewoners, betrekkers en bezoekers toch gecombineerd worden in één alternatief voorstel (zie C.)? Onvermijdelijk in dit soort analyses is het gebruik van een door stedenbouwkundigen gehanteerd jargon. Begrippen als ‘monofunctioneel’, ‘doorwaadbaarheid’ of ‘footprint’ hebben het voordeel dat ze erg duidelijk zijn voor wie ermee vertrouwd is, maar tegelijk komen ze nogal abstract over bij de leek. Dat is meteen een van de redenen waarom het grote publiek meestal pas hoogte krijgt van wat een bouwproject te bieden heeft nadat dit project effectief gebouwd is en te bezichtigen of ervaren valt. Maar dan is het natuurlijk te laat om nog bedenkingen te formuleren, laat staan verzet aan te tekenen. Ook de juridische en technische aard van stedenbouwkundige dossiers bemoeilijken de vertaling naar de publieke opinie. Vandaar dat weinig lokale politici zich echt bezighouden met planologie en ruimtelijke ordening, want het is electoraal oninteressante materie. Vandaar ook dat de media veelal pas berichten over een grootschalig bouwproject wanneer er door de opdrachtgever aangeleverd visueel materiaal voorhanden is (een maquette die het fantasieloze van de nieuwbouw niet weergeeft, een schets die het zielloze karakter van de nieuwe wijk camoufleert). Dan zitten we doorgaans echter al in de laatste fase van het hele proces, wanneer de plannen zijn gefinaliseerd, de vergunningen geleverd en de aannemers gecontacteerd. Al te vaak blijft het brede debat over de architecturale kwaliteit en de sociale impact van geplande bouwprojecten daarom uit. Ook deze keer. A. Waarom is de geplande invulling van het Kievit-bouwproject een regelrechte schande? In 2000 won het internationaal gerenommeerde Rotterdamse architectenbureau MVRDV een door het stadsbestuur aangevraagde wedstrijd. De opdracht luidde: werk een eigentijds en samenhangend masterplan uit voor de geplande ontwikkeling in de Kievitwijk. Voor vier te ontwikkelen bouwzones (waaronder het voormalige Kievitplein ofwel zone A) tekende het bureau een intelligent stedenbouwkundig concept, met bijzondere aandacht voor kwaliteitsvolle architectuur, een gemengde invulling en verbondenheid met de omliggende wijk. Op 4 en 25 mei 2000 werd deze studie door het stadscollege aanvaard en goedgekeurd als visie en ruimtelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Deskundigen loofden het masterplan. Begin 2002 echter werd de stuurgroep die waken zou over de kwalitatieve uitwerking van het vastgoedproject – en waarin samen met vertegenwoordigers van de stad, de NMBS en AROHM (= het Vlaamse niveau) vier onafhankelijke professoren zaten – voortijdig opgedoekt. Bovendien verdwenen de voorstellen van MVRDV stilletjes in de onderste lade van bestuur en bouwpromotor. Ze strookten immers niet met wat de projectontwikkelaar en de kandidaat-huurder (Alcatel) inmiddels eisten, en de Vlaamse overheid nam daar akte van. ‘In het algemeen belang’ verhuisde het dossier en de beslissingsbevoegdheid daarop van het stadscollege naar de minister van Ruimtelijke Ordening. Eerst werd op 6 februari 2002 nog opdracht gegeven door het college om een bijzonder plan van aanleg op te stellen dat rekening hield met ‘de door nv Alcatel Bell opgestelde behoeften inzake kantoorruimte, flexibiliteit en bereikbaarheid.’ Enkele maanden later was men plots een andere mening toegedaan: ‘Het is juridisch niet noodzakelijk een bijzonder plan van aanleg vast te stellen voor de toekenning van de bouwvergunning,’ lezen we in een nieuw collegebesluit over de huisvesting van Alcatel op het Kievitplein (8 mei 2002). Op 3 juli 2002 keurde het college vervolgens principieel de inplanting en het volume voor de geplande Alcatelgebouwen goed, op basis waarvan de Vlaamse regering achteraf ‘als kader voor de ontwikkeling van de omgeving’ een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) ‘Stationsomgeving Antwerpen Kievitplein’ liet opmaken. Zo staat het vermeld in een collegebesluit van 9 januari 2004: na de goedkeuring van het concrete en vrij gedetailleerd beschreven concept werd het wettelijk kader ervoor uitgewerkt. Het is bijna een provocatie om het zo zwart op wit te formuleren in een officieel document. Dit alles is op zijn minst bizar, gegeven de bedoeling van het decreet ruimtelijke ordening van 1999. Voordien was er het systeem van gewestplannen en BPA’s (bijzondere plannen van aanleg) als planningsinstrumenten. In de praktijk bleken die vaak te statisch en te zeer op maat van belangengroepen geschreven. Daarom werden ze vervangen door structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen, die een lange-termijnvisie moesten uitstralen en minder à la tête du client zouden worden opgesteld. Uit het Kievitdossier leren we dat nieuwe systemen en bijhorende decreten niet per definitie leiden tot een mentaliteitsverandering, en al zeker niet in de nog verwarrende overgangsfase tussen de oude en de nieuwe wetgeving. Uitgerekend het door het Vlaamse Gewest opgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan (= GRUP) ademt de oude geest uit – wat willen we bouwen (een kantoorwijk) en hoe gaan we dat verantwoorden? – terwijl het masterplan en het deels voorbereide BPA de toekomstgerichtheid vertolken, met name: wat kan de buurt aan qua grootstedelijk vernieuwingsproject? In dit concrete GRUP (2003) werd bovendien ruimte geschapen voor wat kenners van de materie de salamitechniek of de ‘gesaucissonneerde’ aanpak noemen. Wanneer je het hele project deelgebied per deelgebied behandelt, krijg je gemakkelijker en sneller de nodige vergunningen en vermijd je eventuele beperkingen. Zo legt de Europese Commissie een MER (milieu-effectenrapport) op voor alle belangrijke stadsontwikkelingsprojecten. Om ontduiking van die regel te voorkomen hanteerde Europa bepaalde criteria (dichtbevolkt gebied, nabijheid van monument, …) en geen concrete cijfers. Vlaanderen kwantificeerde desondanks de criteria, waarvan ‘minstens 100.000 m² kantoorruimte’ er een werd. Nu is in zone A alleen al ruim de helft daarvan vergund. Hoe moet de verdere verdeling nog verlopen in de zones B, C en D, waar Eurostation, de vastgoeddochter van de NMBS, aan kantoorontwikkeling wil doen? Ook wat dit betreft gaat het Kievit-GRUP tegen de geest van het decreet van 1999 in: zone A wordt ontwikkeld zonder dat vastligt wat op de drie andere zones gaat gebeuren. Tijdens het openbaar onderzoek rond het voorontwerp van het GRUP diende de NMBS, als belangrijkste eigenaar van de gronden in zones C en D, logischerwijs het volgende bezwaarschrift in: ‘De bouwvolumes per blok (cfr. het MVRDV-ontwerp) dienen vermeld vanuit het standpunt van de globale leefbaarheid van de stationsomgeving en de mobiliteit rondom het HST-station en omdat het ontbreken van rechtszekerheid leidt tot onevenwichten tussen de verschillende actoren-grondbezitters.’ Onbegrijpelijk is dat de Vlacoro (Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening) dit bezwaar niet bijtrad. De Gecoro (Gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening) drong wél aan op een gezamenlijke benadering binnen het GRUP: ‘De verschillende zones worden in het GRUP afzonderlijk bekeken; ook de inrichtingsrapporten worden uitgewerkt per zone. Door de onderdelen te beschrijven wordt het geheel uit het oog verloren. De Gecoro vraagt om de inrichtingsrapporten van elke zone te linken met de overige zones, zodanig dat de ontwikkeling van de ene zone betrokken wordt op de ontwikkeling van de andere’ (advies van 9 januari 2003). In een bijkomend bezwaarschrift motiveerde de NMBS concreet waarom het apart behandelen van elke zone nefaste gevolgen zou hebben voor de leefkwaliteit binnen de wijk: ‘Het gemengd karakter dient tot uiting te komen in een algemene norm die voor elk bouwblok zou gelden en waarbij de omschrijving van het gemengd karakter niet te beperkt zou worden bepaald. Nu kan het A-blok zich beperken tot een puur commercieel project (hotel), voor andere blokken wordt de referentie naar woonblokken gemaakt. Het uitgangspunt van de gemengde benadering moet erin bestaan een leefbare stationsomgeving te creëren zowel overdag als ‘s nachts.’ Ook dit bezwaar kon Vlacoro niet bijtreden. Voor de vier zones samen noch voor de wijk als geheel is overigens een maximaal aantal vierkante meter kantoren opgelegd in het GRUP. Zo ontbreekt het enige instrument om speculatie, verkrotting en de uitbreiding van kantoorfunctie in alle richtingen tegen te gaan, terwijl nu al betwijfeld wordt of de geplande bijkomende kantoorruimte verhuurd zal raken, gezien de bestaande leegstand. De beschikbaarheidsgraad op de Antwerpse kantorenmarkt nam toe van 3 procent (eind 2001) over 6,2 procent (2002) tot 10,7 procent in het tweede kwartaal van 2004 (De Tijd, 23 oktober 2004). Dat laatste komt neer op 184.000 m² nog op te nemen kantoorruimte ofwel het equivalent van drie Kievitzone’s A. Door geen plafond in te bouwen gooien de overheden dus niet alleen de lokale leefkwaliteit te grabbel maar ook de vitaliteit van de Antwerpse kantorenmarkt. Een manco van het GRUP is dat de normeringen te vaag geformuleerd zijn. Dat merkte ook de Welstandscommissie op in haar advies van 9 januari 2003: ‘Gezien het krappe tijdsbestek (timing Alcatel) is er gekozen voor de opmaak van een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP), als enige juridische kader. Vandaar de eis dat het GRUP voldoende zekerheid moet bieden voor een kwalitatieve ontwikkeling. Dit GRUP is echter van een zodanig globale aard, dat het geen juridische vertaling van het stedenbouwkundig plan MVRDV genoemd kan worden. De principes die in het stedenbouwkundig plan aan de basis liggen, worden niet of onvoldoende meegenomen in het GRUP. Het laat natuurlijk een kwalitatieve ontwikkeling mogelijk, maar het biedt geen enkele garantie.’ Om die garantie is het uiteraard te doen, want anders is een GRUP overbodig. Ook de Antwerpse districtsraad legde de vinger op dezelfde wonde: ‘Het ruimtelijk uitvoeringsplan houdt onvoldoende rekening met de basisprincipes van het plan van MVRDV’ (advies 27 januari 2003). De Gecoro ging nog een stap verder: ‘Het project zoals het nu voorligt draagt het risico met zich mee dat de Antwerpse stationsbuurt zich zal ontwikkelen zoals de buurt van Brussel-Noord’ (advies 9 januari 2003). Vier onafhankelijke academici die in de Stuurgroep Stedelijke Invulling Kievitsplein zetelden dienden begin 2003 eveneens een bezwaarschrift in om te wijzen op het zwakke karakter van het GRUP: ‘Enkele sluitstukken in het eenstemmig goedgekeurd en bijgestuurd ontwerp moeten via het RUP worden beveiligd. De mogelijke realisatie overlaten aan toevallige marktontwikkelingen kan de globale planoptie in gevaar brengen (…) In vergelijking met het MVRDV-ontwerp is de toegelaten bouwoppervlakte systematisch verhoogd (+21% in totaal). De bebouwingsdichtheid is nochtans niet alleen gegroeid uit een vormconcept, maar ook om de bereikbaarheid van de stationsingang te verzekeren. Dat kan door beperking van verkeersverwekkers, door de toelaatbare bebouwde oppervlakte te beperken en een menging van functies waardoor de verkeersspitsen gespreid worden (wonen en werken). (…) Het voorliggend plan laat massieve hoogbouw toe, daar waar het MVRDV-ontwerp uitdrukkelijk rekening hield met de kwetsbare 19de eeuwse omgeving door een verfijnde afwisseling van hoog- en laagbouw, open ruimten tussen gebouwen, maximale doorwaadbaarheid, maximaal te bebouwen oppervlakte. Het door de projectontwikkelaar voorgestelde project werd door de Stuurgroep verworpen en wordt nu mogelijk.’ In het GRUP voor de omgeving van het ‘Kievitplein’ werd het masterplan op vele punten een eerste keer uitgehold. Daarna volgde de ene bijstelling na de andere uitzonderingsmaatregel. In de huidige plannen voor zone A is van de vijf centrale uitgangspunten uit het door velen positief onthaalde MVRDV-masterplan uiteindelijk amper nog iets terug te vinden. Daarin zag de Vlacoro alvast geen graten. In het advies bij het voorontwerp van het GRUP (27 mei 2003) merkte de commissie op ‘dat uit het feit dat het MVRDV-ontwerp mee aan de basis heeft gelegen van het ontwerp RUP, niet mag worden afgeleid dat de wezenlijke kenmerken uit dat MVRDV-ontwerp zouden dienen te worden overgenomen in het RUP of dat het MVRDV-ontwerp het toetsingskader zou moeten zijn voor het RUP en de latere inrichtingsrapporten’. In een antwoord op een bezwaarschrift ingediend door de joodse Gemeente en haar scholengemeenschap ging Vlacoro nog een stapje verder: ‘De commissie herinnert er daarbij aan dat hier een ontwerp RUP voorligt dat slechts minimumvoorschriften bevat en dat verder dient uitgewerkt te worden in inrichtingsrapporten. Met de noden van de Joodse gemeenschap kan rekening gehouden worden in die inrichtingsrapporten. Anderzijds beklemtoont Vlacoro dat niet uit het oog mag verloren worden dat het HST-station een poort is die van uitzonderlijk belang is voor de economische structuur van Vlaanderen, wat meebrengt dat plaatselijke belangen Met die laatste opmerking is De Ploeg het fundamenteel oneens. Een intelligente, voor meerdere partijen aanvaardbare ruimtelijke ordening hoeft de vitaliteit van de economie niet aan te tasten. Plaatselijke belangen hoeven helemaal niet de Vlaamse uit te sluiten. Ze gaan net samen, per definitie en altijd en overal. Wie de twee tegenover elkaar plaatst, is verkeerd bezig.
B. Wat wil De Ploeg dan wel?
C. Een tegenvoorstel Met het oog daarop stelden zeven buurtcomités, daarin expliciet gesteund door de Antwerpse bewonersbeweging StRaten-Generaal, de Bond Beter Leefmilieu en de Voetgangersbeweging, deze nota op en presenteren ze een streefbeeldstudie (maquette + digitale tekeningen). Hun vraag: willen het stadscollege, de bevoegde minister, Alcatel, Robelco en de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde zich in een ultieme geste van zin voor maatschappelijke verantwoordelijkheid gezamenlijk buigen over een ontwerp opgemaakt vanuit bewoners-als-gebruikersperspectief, maar waarin ook rekening gehouden wordt met de cruciale vraag van Alcatel naar een minimaal aantal vierkante meter kantoorruimte binnen 1 gebouw? Voor de geplande heraanleg van de Dageraadplaats werd een stedenbouwkundige wedstrijd georganiseerd. Uit de tientallen inzendingen kozen de Vlaamse bouwmeester en een jury er vijf uit, die verder uitgewerkt zullen worden. Het lokale buurtcomité werd nauw betrokken bij het hele proces. Waarom werd een dergelijke procedure niet gevolgd voor het zovele malen grotere en stedelijk centraler gelegen Kievitplein? In twee wijken (Spoor Noord en het Falconplein) vroeg het Antwerpse stadsbestuur de bewoners eerder al om hun ideale buurt te omschrijven en om met eigen voorstellen voor een gepland bouwproject te komen. De vraag kwam bovenop het verplichte rondje inspraak in de eindfase. Waarom kon dit ook niet in onze wijk? De buurtcomités willen de discussie over de inrichting van de eigen wijk verbreden naar een debat over stedenbouwkunde in deze tijden. Daarvoor is nood aan waarheid (eerlijke communicatie) en duidelijkheid (transparante procedures). Daarom organiseerden ze op 8 november 2004 (= Werelddag van de Stedenbouw) ook een persconferentie waarop ze tekst en uitleg gaven. Daaraan voorafgaand (op 19 en 20 oktober 2004) bezorgden ze een eerste versie van de nota aan de COO en de verantwoordelijke Gebouwen van Alcatel, aan de projectleider van Robelco, aan de burgemeester en de bevoegde schepen van ruimtelijke ordening, aan MVRDV, aan Eurostation en aan de directie van de dierentuin, met de vraag om een spoedig gesprek. Bij de opmaak van de streefbeeldstudie hielden de buurtcomités (verenigd in De Ploeg) rekening met een aantal centrale principes die ook terugkomen in de uitgangspunten van MVRDV, met de geest dus van het in 2002 goedgekeurde masterplan.
D. De overheid als speelbal: een koningsdrama Eind 1998 organiseerde het toenmalige Antwerpse stadsbestuur samen met NMBS-Eurostation een planologische wedstrijd voor het hele Kievitgebied achter het Centraal Station, waarmee het bestuur aangaf dat de nieuwe wijk niet zómaar ontwikkeld mocht worden. In mei 2000 keurde het schepencollege de door laureaat MVRDV op 17 juni 1999 en 20 april 2000 toegelichte stedenbouwkundige basisprincipes goed. Er werd een stuurgroep opgericht die waken zou over de kwalitatieve uitwerking van het uiteindelijke bouwproject. Het college gaf de opdracht om op basis van het masterplan aangeleverd door MVRDV een BPA (= bijzonder plan van aanleg) uit te werken voor het hele gebied. Tot daar het behoorlijk bestuur. Met de eis in 2002 tot het opmaken van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) ontnam de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening aan de stad Antwerpen een belangrijk instrument – met name een bijzonder plan van aanleg – om medezeggenschap uit te oefenen over wat met de Kievitbuurt zou gebeuren. De door het vorige stadsbestuur opgestarte en beloftevolle denkoefening over de ontwikkeling van het Kievitplein werd grotendeels in de prullenmand gegooid. De zeven lokale buurtcomités vragen zich het volgende af: wanneer een Vlaamse grootstad aanvankelijk oordeelt dat voor een concrete, belangrijke vastgoedoperatie in het hart van de stad een planologische studie dient opgemaakt (= het masterplan), daartoe ook de opdracht geeft en vervolgens op basis daarvan een toekomstgericht bijzonder plan van aanleg wil laten maken, waarom en op welke basis meent de Vlaamse overheid dan hierin te moeten tussenkomen opdat de planologische grondregels herschreven kunnen worden? In welk algemeen belang kadert een dergelijk belangrijke bevoegdheidsverschuiving en, zoals later zou blijken, ook beleidswijziging? En wat met het vergooide geld, want een planologische wedstrijd organiseren is niet goedkoop? In welk algemeen belang was het overigens om het Kievitplein en omgeving jarenlang te laten verkommeren? Steeds werd herhaald dat de projectzone van bovenlokaal of algemeen belang was, maar nooit werd dat belang nader toegelicht. Officieus wordt gezegd dat dit belang uit twee in de loop van 2001 vastgestelde realiteiten bestaat, namelijk het door Alcatel beloofde maar niet in tijd gegarandeerde behoud van lokale tewerkstelling en de vaststelling dat Robelco quasi alle kavels bezat in bouwblok A en als grootgrondbezitter dus alle beslissingen naar zich toe kon trekken. Elkeen die het Kievitdossier van naderbij volgde weet dat we hier dicht bij de essentie zitten, maar tweemaal is dit toch maar een halve waarheid. Telkens gaat het ook om de gevolgen van een slecht beleid veeleer dan om het ‘algemeen belang’. Op 21 december 2001 gaf Alcatel in een brief aan het stadsbestuur te kennen dat het Kievitplein enkel mits strikte waarborg van het college aan de hoofdzetel in Parijs kon worden voorgelegd als potentiële locatie voor zijn kantoren. In het collegebesluit van 6 februari 2002 verbond het bestuur daaraan volgende conclusie: ‘Het college spreekt zijn ondubbelzinnige voorkeur uit voor de inplanting van de nv Alcatel Bell op het “Kievitplein” en zal alles in het werk stellen om aan de voorwaarden gesteld door de nv Alcatel Bell te voldoen.’ Als grote werkgever en belastingbetaler kon Alcatel het Antwerpse stadsbestuur en de Vlaamse overheid onder druk zetten om bepaalde planologische eisen te laten vallen. Hier werd ingespeeld op de valse tegenstelling tussen wonen of werkgelegenheid. Een bovenlokale (= in deze Vlaamse) overheid moet net komaf maken met dergelijke schijnconflicten en mogelijkerwijs daaraan verbonden chantagemechanismen die leiden tot een besluitvorming à la tête du client. Ze moet daartoe het kader scheppen waardoor Vlaamse steden elkaar niet gaan beconcurreren en niet ‘alles in het werk stellen’ om ten koste van een doordachte ruimtelijke ordening een inderdaad belangrijk bedrijf als Alcatel binnen de stadsgrenzen te houden/halen. Wonen en werken vallen dan gerust te combineren binnen de grenzen van een ordentelijk, toekomstgericht bestuur. Ook wat betreft de Robelco-realiteit zette de (Antwerpse) overheid zichzelf buitenspel. In mei 2000 keurde het college het MVRDV-masterplan goed, met de intentie om iets moois en goeds te maken van de Kievitwijk. Op dat moment bezat de projectontwikkelaar hooguit enkele kleine percelen in de noordoostelijke hoek van het gebied. Pas op 16 november 2000 kocht nv Hoteland, een dochtermaatschappij van Robelco, voor relatief weinig geld het grote en centraal gelegen perceel waarop het Alliance Hotel (ex-Switel) stond. Zoals voorzien in het decreet van 18 mei 1999 kon de stedelijke overheid in de periode daarvoor gebruik maken van het voorkooprecht en op die manier zelf een belangrijk stuk van de te ontwikkelen gronden in handen houden. Ooit had schepen van Sociale Zaken Marc Wellens dit deel van de Kievitwijk wettelijk als kansarm gebied laten vastleggen. Wanneer binnen zo’n gebied een transactie van onroerend goed plaatsvindt, moet de notaris dat aan de stadsdiensten melden voor de verkoopakte kan worden verleden. De stad mag het gebouw of de grond dan kopen aan de prijs die de kandidaat-koper biedt. De beslissing tot aankoop van de Switelgronden werd effectief goedgekeurd door het college. Op 15 juni 2000 meldde de Gazet van Antwerpen dat de aankoopsom van 250 miljoen Belgische franken zou worden voorgeschoten door het Pensioenfonds. ‘Als eigenaar heb je veel meer sturingskracht,’ legde schepen van Ruimtelijke Ordening Erwin Pairon uit. ‘Binnen de plannen voor de Kievitbuurt wordt de plek waar nu nog het Alliance Hotel staat, ingenomen door acht kavels. Twee ervan zijn bestemd voor een nieuw hotel, twee voor kantoorruimtes en vier voor sociale woonfuncties. Op basis van dat laatste hebben we nu bij de notaris ten voorlopigen titel ons voorkooprecht opgenomen. (…) Het stadsbestuur heeft nu twee maanden de tijd om op verschillende vlakken verder te onderhandelen. (…) Nadat het schepencollege de definitieve aankoop goedkeurt (tot nu toe gaat het alleen om een principiële beslissing), heeft de gemeenteraad het laatste woord.’ Maar tijdens de buitenlandse afwezigheid van de bevoegde schepen en zonder zijn medeweten werd de beslissing plots herroepen (slechts drie schepenen verzetten zich hiertegen). Nooit werd uitgelegd waarom afgezien werd van het recht op voorkoop en waarom een dergelijk cruciaal gelegen stuk bouwgrond plus medezeggenschap over de ontwikkeling van het plein uit handen gegeven werd. Onlangs nog toonde de huidige schepen van Ruimtelijke Ordening Ludo van Campenhout zich erg blij toen bleek dat de projectgebieden van de NMBS in de Kievitzone, Nieuw Zuid en Spoor Noord eigendom werden van de staat, die ze wilde doorverkopen. ‘Gelukkig krijgt de stad de kans om de gronden te kopen en de ontwikkeling te sturen,’ vertelde de schepen aan Gazet van Antwerpen (22 oktober 2004.) Waarom was het schepencollege in de zomer van 2000 dan niet zo happig om het eigen geluk te bevorderen? Het is een oude truc die telkens weer gebruikt wordt om slecht beleid te camoufleren. Met veel toeters en trompetten wordt eerst een kwaliteitsvol stedenbouwkundig of architecturaal concept uitgewerkt en goedgekeurd. De suggestie van een behoorlijk functionerende overheid is er. In decreten, studies of plannen wordt een principiële fermheid geëtaleerd die aansluit bij wat de civiele samenleving als norm belijdt. Daarna en ver weg van het publieke forum begint het gemarchandeer en het toegeven: onder druk vanuit de vastgoedsector en grote bedrijven (incluis overheidsbedrijven) wordt de geest van het aanvankelijke concept steeds verder ondergraven in vele opeenvolgende juridische, administratieve en politieke beslissingsmomenten, tot er nauwelijks nog wat overblijft van de oorspronkelijke uitgangspunten. Tegelijk wordt tijdens hoorzittingen, in de gedrukte overheidscommunicatie en in interviews wel nog voortdurend verwezen naar de basisprincipes van de stedenbouwkundige studie. (Breder geschetst heeft men het in dit verband wel eens over een beleid ‘op zijn Belgisch’. Vaak worden aan beloftevolle intentieverklaringen en concrete doelstellingen een goede wetgeving gekoppeld. Maar vervolgens komt er te weinig geld op tafel, wordt onvoldoende personeel aangeworven, is er nauwelijks een omkadering, wordt geen fundamenteel wetenschappelijk onderzoek verricht, enzovoort. Kortom: de wil ontbreekt en bijgevolg ook de resultaten. Een goed wettelijk kader (de ethiek) is dus niets waard zonder een navenante praktijk.) Dat het uiteindelijke resultaat soms haaks staat op eerder bejubelde stedenbouwkundige voorschriften, probeert men weg te redeneren door de kritiek gewoon te negeren, door het algemeen belang in te roepen of door met de vinger te wijzen naar andere overheden. In 1995 schreef Peter Renard, toen journalist bij Knack, het volgende over ruimtelijke ordening: ‘In geen enkel ander politiek domein is de kloof tussen wat wordt verkondigd en wat wordt gedaan, zo immens’ (uit Wat kan ik voor u doen? Ruimtelijke wanorde in België: een hypotheek op onze toekomst). Hij beschreef hoe telkenmale ronkende regeringsverklaringen werden afgelegd vol stedenbouwkundig jargon over de bescherming van open ruimte en de herwaardering van stadskernen, waarna het tegenovergestelde vorm kreeg in een mist van discreet lobbywerk, stil cliëntelisme en sluipende besluitvorming. Grote creativiteit werd daarbij aan de dag gelegd bij het geven van afwijkende adviezen, het negeren van studies, het interpreteren van structuurplannen en het uithollen van decreten. Terecht noteerde hij in zijn besluit: ‘De overheid moet er op toezien dat er openheid komt in het beleid in plaats van de dossiers broksgewijze en te dikwijls ook en stoemelings klaar te stomen. (…) De Ruimtelijke Ordening moet dringend worden gepolitiseerd, ze moet het voorwerp uitmaken van een politiek debat en van politieke besluitvorming. (…) Het individuele beheer van telkens weer afzonderlijke dossiers, zonder omkadering en visie, heeft geleid tot de bestaande chaos waarbij de privé-sector de korte-termijnwinst opstrijkt en de overheid met de lange-termijnkosten wordt opgezadeld.’ Het Kievitdossier toont aan dat de zeden en gewoonten nog steeds dezelfde zijn. Intriest is het te moeten vaststellen dat dit soort bijna uitsluitend op het bedrijfsleven afgestemde, ‘broksgewijze en en stoemelings klaargestoomde’ stadsontwikkeling net tegen het algemeen belang in gaat. Het is een problematiek waar ook de Bond Beter Leefmilieu aandacht voor vraagt in een recente werknota (september 2004). De Bond wijst erop dat bouwpromotoren en grote bedrijven (waaronder ook Eurostation, een dochteronderneming van de NMBS, in de rol van promotor en speculant) recentelijk in Brussel en in verschillende grote Vlaamse steden (Brugge, Gent, Antwerpen) zoveel vastgoedkracht ontwikkelen in stationsbuurten dat ze telkens weer evenwichtig uitgewerkte stadsvernieuwingsprojecten hypothekeren. Vaak wordt de negatieve erfenis ervan op de gemeenschap afgewenteld. ‘Grote vastgoedoperaties, kantoorprojecten en megawinkelcentra zijn een miljardenzaak geworden waarin niet veel meer dan een handvol internationale spelers aan de touwtjes trekken,’ schreef Mathias Danneels onlangs in een Commentaar (Het Nieuwsblad, 27 oktober 2004), waarna geen mooi maar – zo beseffen intussen de buurtcomités – helaas wel een realistisch beeld geschetst werd van hoe men in de sector te werk gaat. ‘Zij verkiezen bij voorkeur te opereren in een wat grijze schemerzone. Lobbyen kunnen ze als geen ander. Ze kennen de restaurants waar de echte beslissingen worden genomen als hun broekzak. Ze zijn ook absoluut niet vies van het “ons kent ons”-circuit waarin overheid, ambtenarij en zakenlui regelmatig tegen elkaar opbotsen.’ Bij de ontwikkeling van het Kievitproject bepaalden deze plutocraten de grondregels. Wie niet mee investeert, kreeg een rondje schijninspraak aangeboden. ‘Wonen, ruimtelijke ontwikkeling, het evenwicht tussen beton en groen en het vitaliseren van onze steden belangen de hele gemeenschap aan,’ vond nochtans ook Mathias Danneels. ‘Dorpen, steden en natuur horen alle mensen toe, niet een selecte club megalomane grootverdieners. Waar nodig dient de vrije markt dan ook te worden gecorrigeerd’ (Het Nieuwsblad, 27 oktober 2004). Het omgekeerde gebeurde in zone A van de Kievitwijk: de markt dicteerde (letterlijk) de wetten, terwijl de gemeenschap bovenop de prijs die ze betalen zal voor het feit dat de overheid een buurtonvriendelijk complex vergunde ook nog eens een deel van de rekening gepresenteerd krijgt. Zo betaalt de Antwerpenaar via de stedelijke overheid een substantieel deel van de tunnel en het ondergrondse rond punt die de parkeergarages van Alcatel (Robelco) en de NMBS ontsluiten – 1,125 miljoen euro om precies te zijn (collegebesluiten 21 en 28 november 2003). Het gewest legt daar eenzelfde bedrag bovenop. Samen betalen ze meer dan wat de projectontwikkelaars investeren in de aanleg van de toegang tot de eigen parkeerplaatsen. De burger moet de kelk blijkbaar ledigen tot op de bodem: hij ziet het belastinggeld van een armlastige stad verdwijnen in de bouwput van een commercieel initiatief, terwijl de negatieve effecten ervan voor de omwonenden zijn. Het restaurant waar dit soort akkoorden gesloten worden moet toch wel heel straffe wijn schenken. ‘Het evenwicht tussen publieke en private belangen is in dit dossier volledig zoek,’ oordeelde socioloog/stedenbouwkundige Evert Lagrou. ‘Alcatel en projectontwikkelaar Robelco kunnen zich uitleven op een schitterende locatie, zonder dat de overheid daar via belangrijke investeringen in publieke ruimte iets voor terugkrijgt’ (Trends, 20 mei 2004). De return on investment mag hier niet alleen naar de private sector gaan. Het is net omdat de lokale verankering van grootschalige bouwprojecten verwaarloosd wordt dat het algemeen belang geschaad raakt. Dat is de essentie. De buurtcomités vinden het een wat primaire redenering dat wie investeert meer inspraak verdient over de bouwvolumes, de functiebedeling, het aantal ondergrondse parkeerplaatsen en de inrichting van de publieke ruimte dan wie dat niet doet. Ook een versteviging van het sociale (wonen, spelen, ontmoeten) en het culturele (toerisme, recreatie, zacht uitgaansleven) dient het algemeen belang. Een lokaal bestuur dat dit laatste negeert, pleegt niet alleen schuldig verzuim maar ontzegt zijn kiezers elk recht op een leefbare woonplek. Zichzelf ontzegt het de mogelijkheid om duidelijke politieke keuzes te maken. Een bestuur van een grote stad, dat aangeeft op een correcte manier te willen handelen, kan heus zelf de stedenbouwkundige invulling van een gemengde wijk begeleiden. Het Antwerpse college heeft daartoe wettelijke bevoegdheden, een bekwame administratie met de nodige know-how, een stadsbouwmeester en een deskundige Gecoro. Het gaf tussen 1998 en 2001 ook te kennen dit effectief te willen doen. Maar vanaf begin 2002 begon het fout te lopen. Vanaf toen verdween de besluitvorming achter gesloten deuren, wat finaal resulteerde in toezeggingen door het college aan de projectontwikkelaar en in de beslissing om het wettelijk kader te herformuleren op gewestelijk niveau. In de daaropvolgende periode gaven de stedelijke adviesraden (Welstandscommissie, districtsraad, Gecoro) telkenmale ongunstig advies aan het uitvoeringsplan en de ingediende bouwaanvragen, terwijl de gewestelijke instanties (respectievelijk Vlacoro en Arohm) weinig kritisch waren en zich veeleer opstelden als gewillige legitimeringsmachines. Uit het advies van de Welstandscommissie – een instantie die in het leven geroepen werd om een breed draagvlak bij de bevolking te representeren – bleek overigens al een zekere vrees voor een te eenzijdige, te lakse advisering op het Vlaamse niveau: ‘Vervolgens dient het inrichtingsrapport niet enkel door de bevoegde planologische en stedenbouwkundige ambtenaren van het Vlaams Gewest voorgelegd voor advies, maar ook voor een kwaliteitsteam of begeleidingsteam ter goedkeuring voorgelegd te worden. Dit team waakt over de invulling van het Masterplan, of de kwaliteiten en uitgangspunten van het plan MVRDV voldoende worden doorvertaald naar het inrichtingsplan. Het team levert een bindend advies, dat juridisch verankerd zit in het GRUP’ (9 januari 2003). Zo’n team is er nooit gekomen. Jammer is dat, want nu bleef de goedkeuring van het GRUP een nogal intiem gebeuren, soms zelfs letterlijk. In zijn advies voor de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning van het bovengrondse complex schreef de gemachtigd ambtenaar van Arohm dat hij zich aansloot bij de eerder gegeven beoordeling van ‘de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar’ en hij daarom besloot ‘dat de inrichtingsstudie toereikend is in het kader van de aanvraag’ (17 februari 2004, blz. 6). In de praktijk blijkt het om een en dezelfde man te gaan. Hij sloot zich aan bij het standpunt van zichzelf. Is dit fair play? Juristen die zo’n argumentatie lezen zeggen dat ze dit zelf alvast niet moeten proberen in een pleidooi zonder zich tenminste ook kenbaar te maken als bron waarop ze steunen. Een dergelijk dossier naar een hoger niveau trekken om private belangen te dienen schept een negatief precedent. Op die manier kan een stadsbestuur en zijn adviesraden altijd buitenspel gezet worden. Hoe kan het dan nog een ernstig beleid voeren waarop het afgerekend wordt? Hoe kan het in zo’n context verantwoording afleggen voor planologische fouten van formaat? Hoe kan het nog adequaat omgaan met speculatie, leegstand en een verdergaande verzuring van buurtbewoners, laat staan nieuwe bewoners naar de wijk lokken? Het subsidiariteitsbeginsel wil dat politieke beslissingen genomen worden op de niveaus waar ze thuishoren, en dat liefst op een zo laag mogelijk niveau (dicht bij de mensen). Een bestuur dat werkelijk bekommerd is om de kwaliteit van het stedelijke leven mag zich dergelijke bevoegdheden simpelweg niet laten ontnemen. Het mag zich niet te volgzaam opstellen ten aanzien van het Vlaamse beslissingsniveau, waar minder rekening gehouden wordt met een concrete context. Naar aanleiding van een proefschrift door Pascal de Decker over het grootstedenbeleid had Yves Desmet het onlangs nog over ‘de lage politieke druk die vanuit de steden op de centrale overheid wordt gezet, en de haast slaafse gelatenheid waarmee men alles “van Brussel” ondergaat’ (De Morgen, 23 oktober 2004). In de specifieke situatie waarin Antwerpen politiek verkeert, duikt bovendien wel eens onverdeeldheid op binnen het college, waarvan de Vlaamse overheid én zij die hun gelijk niet halen binnen de coalitie handig gebruik maken. Zo betreurde toenmalig schepen van ruimtelijke ordening Ann Coolsaet enkele jaren geleden nog openlijk dat het college er niet in geslaagd was eendrachtig op te treden in het Leiendossier, waardoor de hogere overheden vrij spel kregen. Met als gevolg: grote ondergrondse parkings en tunnels die van de verder verstandig heraangelegde Leien toch een halve autostrade zullen maken. Eenzelfde verdeel-en-heerssfeer beïnvloedde wellicht de behandeling van het Kievitdossier. En misschien is het antwoord op de vraag waarom de bevoegdheid over de herinrichting van het Kievitplein naar de Vlaamse regering verhuisde nóg eenvoudiger: bij het nemen van een beslissing die gevoelig ligt is het nu eenmaal gemakkelijker om met de vinger naar Brussel (of Europa) te wijzen dan om de eigen verantwoordelijkheid te erkennen. Hemeltergend is het overigens dat de Antwerpse bestuurders zelf nauwelijks inspraak eisten en kregen in hoe het Kievitplein er zal uitzien, terwijl ze wel met de ondankbare taak opgezadeld zitten om de infovergaderingen met boze burgers te verzorgen en, straffer nog, door de Vlaamse overheid worden aangesteld als ‘onteigenende overheid’ (alhoewel het om de uitvoering van een GRUP gaat). Ook zal het de lokale gemeenschap zijn die uiteindelijk moet opdraaien voor investeringen in de veiligheid (bewaking, camera’s, politiepatrouilles) en het bestrijden van overlast (sluikstort, kleine criminaliteit, vandalisme). Het Kievitdossier is een schrijnend voorbeeld van de these die professor Luc Huyse al enige jaren uitwerkt, namelijk dat de werkelijke beslissingsmacht zich niet langer in de beroepspolitiek situeert maar wel in economische en andere commandoposten. Politici worden herleid of herleiden zichzelf tot stromannen of speelballen van niet-verkozen medespelers (multinationals, vastgoedgiganten, mediaconcerns en grote advocatenbureaus maar ook ngo’s) en lopen zo de feiten achterna. Het is een van de factoren waardoor burgers zich in de steek gelaten, want niet langer vertegenwoordigd, voelen. Het Antwerpse stadsbestuur blijkt in het Kievitdossier onmachtig, de Vlaamse overheid onwillig (of al te gewillig, naargelang het standpunt). Het ontstaan van zo’n onoverheid of non-overheid beschouwen velen als de kortste weg naar de antipolitiek. Het af en toe organiseren van goed-gevoelmomenten (een laagdrempelig grootschalig evenement, opendeurdagen, het burgemeestersbal) of het restylen van een imago (nieuwe logo’s, nieuwe uniformen, trendy publicaties), hoe goed bedoeld ook, vermogen daar weinig tegen. Projectontwikkelaars hebben zelden oren naar wat leeft bij stedenbouwkundigen, architecten, bestuurders en bewoners. Onlogisch is dat niet, want het streven naar winstmaximalisatie staat centraal. Precies daarom heeft de overheid de plicht om vooruit te kijken. Gouverner, c’est prévoir. Uit het huidige Vlaamse regeerakkoord blijkt een wil tot investeren in de kwaliteit van de stedelijke ruimte. Terecht en verstandig genoeg wordt daarbij voor wijkspecifieke projecten de mogelijkheid voorzien om participatief beleid uit te bouwen. In de Kievitbuurt blijft dit voornemen alsnog dode letter. Of zoals architect en criticus Koen van Synghel het formuleerde: ‘De praktijk wijst nu uit dat de stad Antwerpen, mede onder druk van de Vlaamse regering en in het bijzonder minister van Ruimtelijke Ordening Dirk van Mechelen, de belangen van de burger opzij heeft gezet en het rijke plan van MVRDV offert. (…) Langetermijnvisie, integratie van architectuur, stedenbouw, mobiliteit én veiligheid, allemaal belangrijke bevoegdheden van de Vlaamse overheid, gaan in dit cruciale project voor Antwerpen roemloos verloren’ (De Standaard, 25 mei 2004). Leden van het huidige schepencollege zeggen wel eens dat het vorige college én Alcatel misbruikt werden door de projectontwikkelaar, en dat het stadsbestuur nu met een kwalijke Kieviterfenis zit waar het geen schuld aan heeft. De architect Jo Crepain formuleerde deze analyse onlangs nog wat minder beleefd: ‘Ze kregen het dossier gewoon door de strot geduwd’ (Zone 03, 6 oktober 2004) Een en ander is slechts ten dele waar. De Vlaamse overheid en de projectontwikkelaar zetten het vorige en het huidige stadsbestuur inderdaad onder druk, maar dit volstaat niet om de eigen politieke verantwoordelijkheid te minimaliseren. Ere wie ere toekomt: sinds 2000 tekenden enkele Antwerpse politici wel degelijk verzet aan tegen al te grote toegevingen van het college aan het Vlaamse Gewest, de promotor en Alcatel. De ‘bevoegde’ schepen van ruimtelijke ordening Ann Coolsaet (VLD) hoorde bij de drie schepenen (een minderheid) die MVRDV bleven verdedigen en stemde op 3 juli 2002 als enige schepen tegen de goedkeuring van het concept en het volumevoorstel voor de huisvesting van Alcatel, wegens haaks staand op het stedenbouwkundig masterplan dat zij als toenmalige bevoegde schepen van ruimtelijke ordening patroneerde. Vanuit de banken van de gemeenteraad bleef vooral raadslid Johan Bijttebier (Groen!) kritische vragen formuleren. Met aanhoudende kritiek op een ontsporend beleid maak je jezelf echter niet populair binnen de eigen partij, wanneer die deel uitmaakt van de coalitie. Zo lezen we op 14 oktober 2004 het volgende in de Gazet van Antwerpen: 'In de gemeenteraad stellen Johan Bijttebier (Groen!), ex-schepen Ann Coolsaet (VLD) en Paul de Loose (sp.a) zich vragen over de kwaliteitsbewaking. Schepen van Campenhout benadrukt dat het gaat om beslissingen van het vorige bestuur en dat men het dossier nu niet moet blijven besmetten.’ Met dat laatste woord hanteerde de schepen een wat ongelukkig gekozen beeld om politici terecht te wijzen die vragen om een transparante besluitvorming en respect voor de oorspronkelijke uitgangspunten. De twee mandatarissen die zich het vaakst negatief uitlieten over de politieke afhandeling van het Kievitdossier beleefden hun meest dramatische moment tijdens de gemeenteraadszitting van 25 februari 2003. Verenigd in hun kritiek zagen ze zich ongewild toch tegenover elkaar geplaatst. Het was de periode waarin een openbaar onderzoek liep rond het GRUP-ontwerp (6 januari tot 7 maart 2003). In de collegezitting van 12 februari werd de gemeenteraad verzocht om over dat voorlopige uitvoeringsplan advies uit te brengen, en meer bepaald over het ontwerp van advies dat het college had opgesteld. Gemeenteraadslid Johan Bijttebier diende daarop een amendement in, dat het verdient uitgebreid geciteerd te worden:
‘Overwegende dat bij de stadsdiensten (Welstandscommisie 9/1/03 en Gecoro dd 9/1/03) en de Antwerpse districtsraad klare adviezen werden uitgewerkt maar amper zijn weergegeven en bovendien niet beantwoord in het eindvertoog van het Gemeenteraadsbesluit en dit met name in de punten 1 tot en met 6. Vanop de banken van de gemeenteraad motiveerde Johan Bijttebier nog eens de inhoud van zijn amendement: ‘Uit een vergelijking van de adviezen van de instanties die we zelf hebben aangeduid met het ontwerpbesluit blijkt dat daarin, met uitzondering van het gedeelte met betrekking tot het parkeren dat heel uitvoerig is, onvoldoende rekening wordt gehouden met de adviezen van de stadsinstellingen.’ Vandaar een amendement waarin de belangrijkste aandachtspunten uit de verschillende ingewonnen adviezen van de districtsraad, de administratie, Gecoro en de Welstandscommissie gewoon nog eens op een rij worden gezet. Hij besloot met een scherpe afwijzing van het door het college opgestelde ontwerpbesluit: ‘Het advies houdt onvoldoende rekening met de basisprincipes van het studiebureau MVRDV. Bovendien ontbreken alle goede basisprincipes voor een goed ruimtelijk ordeningsplan en kan men hiermee alle kanten uit. Moeten er woonfuncties komen en hoeveel? Is er verwevenheid van werken en wonen? Hoe staat het met de maximum hoogte en de diversiteit van de gebouwen? Welke zijn de plannen in verband met de open ruimte? Werd rekening gehouden met een goede aansluiting op de omgeving en een mooie aansluiting op de Zoo? Wat met de groene zone? Alles wordt vaag gehouden op verzoek van Robelco, dat zich niks aantrekt van de basisprincipes van het door ons aangesteld studiebureau en er overigen alle banden mee verbroken heeft. (…) Gecoro, de Antwerpse districtsraad en de bewoners in de onmiddellijke omgeving van het Kievitplein vragen met aandrang dat het college dit advies beter uitwerkt en meer garanties inbouwt, niet alleen voor de tewerkstelling maar eveneens voor een goede ruimtelijke ordening, goede aansluiting op de omgeving, en met oog voor leefbaarheid op maat voor wie er werkt en leeft. Voorts vragen zij ook duidelijkheid over de onteigeningen. Zonder de tewerkstelling te schaden en het advies van het schepencollege te amputeren kan dit advies perfect worden aangevuld met het door mij ingediende amendement. Er is trouwens geen enkele rationele reden om dat niet goed te keuren, tenzij het gezagsargument, maar we moeten de belangen van de generaties na ons verdedigen. De begroting van de politie kan men corrigeren. Men kan een paaltje weghalen of er een bijplaatsen, maar de ruimtelijke ordening bepaalt de toekomst jarenlang en kan niet door onze opvolgers in de gemeenteraad worden hersteld. Daarom moeten we ervoor zorgen dat een goed doordacht advies wordt geformuleerd, waarbij het uiteraard van belang is dat Alcatel hier blijft. Mevrouw de voorzitster, ik besluit. Het stadsbestuur moet vlot en objectief onderhandelen met promotoren en bedrijven, met of zonder PPS, maar dat betekent niet dat we plat op onze buik moeten gaan en onderdanig de dictaten van de promotoren moeten ondergaan. Wij zijn patriciërs, Antwerpen is een stad van standing. Een stad van standing dwingt respect af door duidelijke eenvormige procedures, onder toezicht van de schepen voor ruimtelijke ordening, de bouwmeester, een eendrachtig schepencollege en een kundige administratie. In deze heeft de administratie goed geadviseerd. Laten wij er niet alleen naar verwijzen, maar dat advies ook opnemen in het ontwerpbesluit.’ Het was Ann Coolsaet, de toenmalig bevoegde schepen van ruimtelijke ordening, die daarop het finale woord kreeg van burgemeester Leona Detiège. Ze nam de kans te baat om nog eens haar puntjes op de i te plaatsen: ‘Alleszins werd het voorliggend advies vooraf terdege besproken, waarbij economische argumenten werden afgewogen tegen stedenbouwkundige. De economische belangen zijn evenwel zo groot dat ze de bovenhand hebben gehaald op stedenbouwkundige overwegingen. Daarom werd een belangrijke bijsturing toegestaan op het plan dat door MVRDV voor deze site werd uitgetekend. Het had inderdaad misschien anders kunnen lopen, maar dat zullen we nooit te weten komen. Het is misschien ook juist dat van de goede intenties van de stad en Alcatel om het project samen te realiseren door de projectontwikkelaar allicht wat te handig gebruik is gemaakt om het maximale binnen te halen en dat in dit dossier ook met emotionele druk werd gewerkt. Vergeten we ook de tijdsdruk niet: alles moet heel snel gaan, waardoor niet veel nog ten gronde kan worden uitgedetailleerd. Mijnheer Bijttebier, u hebt de aandacht gevestigd op behartenswaardige belangen, waarin ik me in zekere zin kan terugvinden. Het is evenwel aan de gemeenteraad om daarover uitspraak te doen.’ Het waren zure woorden, welhaast een koningsdrama waard. Uitgerekend Ann Coolsaet moest hier de bittere pil vergulden en slikken. Zelf had ze als enige schepen op die cruciale derde juli van 2002 tegengas gegeven in haar weigering om verregaande tegemoetkomingen aan Alcatel goed te keuren. Wie tussen de lijnen lezen wil, begrijpt dat de schepen hier nog een laatste keer haar frustratie ventileerde en misschien zelfs voor het nageslacht wilde laten vastleggen dat zij alvast niet medeplichtig was. Ze bracht in herinnering dat de overheid zich gedwongen zag om de eigen onmacht te erkennen, gezien de economische belangen, de tijdsdruk en de emotionele chantage. Het amendement werd verworpen met 24 stemmen (incluis de huidige schepen van ruimtelijke ordening) tegen 4 (de groene fractie). Krachteloos liet de gemeenteraad zich toen definitief in het bad trekken. Een weg terug was er niet meer. Later nog vergunningen tegenhouden op basis van een ernstig wettelijk kader was niet langer een optie. Er waren 17 onthoudingen, met name de voltallige fractie van het Vlaams Blok plus gemeenteraadslid Kathleen van Brempt. Zich onthouden was in de gegeven context al een daad van rebellie. Bij de stemming was toenmalig gemeenteraadslid en huidige burgemeester Patrick Janssens niet in de raadszaal. Toch was hij aanwezig die avond. Hij maakte van de bewuste gemeenteraad zelfs een memorabele bijeenkomst, want het was op die avond dat hij een mondelinge vraag zou stellen over de financiële en juridische implicaties van het collegebesluit van 12 februari 2003 over … het grijs schilderen van het stadsmeubilair. De volgende dag had de pers alleen aandacht daarvoor. In de loop van de volgende dagen brak vervolgens het VISA-schandaal uit. Het werd dus toch nog een historische avond, zij het om de verkeerde reden. Het nefaste en zeer verstrekkende advies over het Kievitplein-GRUP bleek geen nieuwswaarde te hebben. Dat het stadsbestuur zichzelf op 25 februari 2003 een brevet van onmacht had toegediend, was een vaststelling die tussen de plooien van de schandaaljournalistiek verdween. Tragisch is het dat de berichtgeving over aantoonbaar onbehoorlijk bestuur het afleggen moest voor een heksenjacht, die in de loop van de daarop volgende maanden bovendien zoveel politieke heisa en zelfs een bestuurlijk vacuüm zou veroorzaken dat een complex stedenbouwkundig dossier al helemaal aan het oog van de publieke opinie onttrokken werd. Voor wie vastgoedzaken het liefst in de luwte regelt, was dit het gedroomde scenario, of toch op zijn minst een meevaller. Er was niet alleen de door-de-strotfactor maar ook een haast-je-rep-jesfeer die bestuurlijke desinteresse voor de kwaliteitsopvolging uitstraalt. Na veel voorbereidend overleg onthaalde het college op 26 juni 2002 een voor alle direct betrokken partners aanvaardbaar inrichtingsvoorstel gunstig. In het verslag van de zitting van amper een week later (op 3 juli 2002) lezen we plots: ‘Na deze laatste rapportering was er een wending in het dossier ten gevolge van toetsing visie hoofdkantoor Alcatel Parijs. Er werd een nieuw voorstel opgemaakt door Robelco en Alcatel omwille van de verhoudingen tussen bruto en netto oppervlakte, de interne circulatie in het Alcatelgebouw en de brandvoorschriften. Dit voorstel wijkt af van het aanvaarde voorstel van 26 juni 2002.’ Een van die wijzigingen betrof de verbindingen tussen de bouwblokken: ‘Tussen de drie bouwblokken van Alcatel wordt een volume voorzien met centrale toegang op het gelijkvloers.’ In de toelichtingsnota van het uiteindelijk pas op 24 oktober 2003 goedgekeurde GRUP (Belgisch Staatsblad 24 november 2003) staat nochtans: ‘Verbindingen tussen de gebouwen over een strook open ruimte zijn mogelijk. Er moet wel vermeden worden dat de verschillende gebouwen “aan elkaar klonteren”. De luchtverbindingen (= onze cursivering) kunnen bijgevolg beperkt blijven tot passerelles van zuiver functionele aard, die maximaal 2 niveaus kennen.’ Op de finale, goedgekeurde bouwplannen worden niet langer drie maar vier kantoorblokken van Alcatel van de gelijkvloerse tot de zesde verdieping aan elkaar bevestigd. Meteen worden twee oorspronkelijk voor het publiek toegankelijke wandelassen afgesloten. Vier academici, leden van de Stuurgroep Stedelijke Invulling Kievitsplein (die indertijd het MVRDV-ontwerp goedkeurde), dienden een bezwaarschrift in: ‘De bovengrondse verbinding tussen de gebouwen moet uitdrukkelijk beperkt worden tot één verdieping en op minstens 15 m hoogte om doorkijk te waarborgen. Zo niet ontstaat een ongewenste schaalvergroting die in de planoptie uitdrukkelijk werd tegengegaan. Dit zal ook de functiemenging storen.’ De Vlacoro gaf daarop een laconiek advies: ‘Vlacoro verwijst hier naar punt 1.4.2 van de toelichtingsnota waar ontwikkelingsperspectieven naar voren geschoven worden omtrent luchtverbindingen. Vlacoro meent dat de uitwerking daarvan niet in het RUP dient opgenomen, maar in het inrichtingsrapport waar, op basis van de in het punt 1.4.2 en de eisen gesteld aan de inhoudelijke elementen bij de verordenende stedenbouwkundige voorschriften, een kwalitatieve vertaling kan gegeven worden die beantwoordt aan de verzuchtingen van de bezwaarindiener’ (27 mei 2003). Vervolgens kwam er het atrium, dat reeds een klein jaar eerder toegezegd was door het stadsbestuur. Of: hoe laat je openingen in het GRUP om de projectontwikkelaar ter wille te zijn. Als klap op de vuurpijl schuift het college op 3 juli 2002 als voorwaarde naar voor dat de verbinding tussen de (toen nog) drie bouwblokken moet worden afgebroken wanneer Alcatel de site verlaat, opdat de bouwblokken afzonderlijk zouden kunnen functioneren. Erkend wordt dus dat het opgeven van de doorwaadbaarheid geen goede zaak is en slechts tijdelijk mag zijn. Besturen is vooruit kijken, maar dit soort vooruitziendheid is een belediging voor de protesterende omwonenden en ook niet weinig naïef. Want wat als de volgende huurder net gecharmeerd is door het verbindende atrium? Bovendien zal de noordelijke helft van zone A na een mogelijk vertrek van Alcatel en een eventuele afbraak van het verbindende atrium evengoed louter kantoorgebied blijven, of de blokken nu afzonderlijk functioneren of niet. Zelfs met een verbeterde doorwaadbaarheid blijft het een slechte keuze om zo radicaal voor niet-vermenging van kantoor-, woon- en dienstenfuncties te kiezen. En wie zal finaal de afbraak betalen, want hoe sluitend is de aangegane garantie dat de projectontwikkelaar instaat voor de kosten ervan? ‘Het voorstel voorziet volgende functies: kantoorgebouw Alcatel, businesscenter, hotel en een residentieel gebouw,’ lezen we ook nog in het verslag van 3 juli 2002. Waarna volgt: ‘Het college acht de diversiteit aan functies voldoende. Het voorliggend voorstel creëert bijgevolg een evenwicht tussen het voorgestelde programma van Alcatel en het stedenbouwkundig plan.’ Uit deze inschatting blijkt een verregaande onverschilligheid en nonchalance door het toenmalige college, want het voorstel benadert zelfs niet eens een vorm van evenwicht. Op 1 residentieel gebouw na wordt de hele zone uitgebouwd rond het functioneren van Alcatel, dat zich door het verbindende atrium afsluit van de omgeving en openbare ruimte privatiseert. ‘De open ruimte tussen de Alcatelgebouwen C-F en D-E is momenteel in het ontwerp ontoegankelijk voor het publiek, maar de visuele doorlaatbaarheid blijkt wel aanwezig,’ lezen we in het collegebesluit van 9 januari 2004. Van doorwaadbaarheid naar doorlaatbaarheid: de bewoners mogen dankzij een dislectische lectuur van de feiten genoegen nemen met het gegeven dat ze de overzijde kunnen zien. Het businesscenter zal als bijkomende vergader- en congresruimte flexibel ingevuld worden door Alcatel, het hotel is eraan verbonden. Monofunctioneler kan het haast niet. De zeven gebouwen hadden net zo goed in een industriepark kunnen staan. Het enige wat hen met de omgeving bindt is het Centraal Station als toevoer van personeel of hotelgasten, een tijdens de werkuren geopend broodjesrestaurant in gebouw C van Alcatel, een taverne op de gelijkvloerse verdieping van het businesscenter en enkele commerciële handelsruimtes in drie gebouwen. Het was de huidige bestuursploeg die op 20 februari 2004 de stedenbouwkundige vergunning verleende voor de op 14 november 2003 ingediende aanvraag ‘voor het bouwen van het bovengrondse gebouwencomplex “Kievitplein”’, nadat het ook al de ondergrondse parking had vergund. In de marge werden wat opmerkingen geformuleerd over de brandveiligheid, het verbindingsatrium tussen de blokken C tot F en de mogelijke verlaging van het grondwater. Over de grond van de zaak – met name dat het een stedenbouwkundige vergissing van formaat betrof – werd niet gerept. Wel liet men passeren dat in het GRUP voorziene wandelruimte plots afgesloten wordt voor … het publiek, dat ook meegetelde publieke binnenruimte op het gelijkvloers niet echt toegankelijk is, dat er geen plein komt in zone A (ofte ‘gebouwencomplex “KievitPLEIN”’), dat nauwelijks woonruimte voorzien is op de bouwplannen, dat een als ‘residentieel’ opgegeven gebouw vooral vergaderlokalen en hotelkamers telt, dat de verhouding tussen ruimte voor werken en wonen maar ook tussen het publieke en het private het omgekeerde is van wat in het masterplan gesuggereerd werd, enzovoort. Dat een college letterlijk over één nacht ijs kan gaan bij het nemen van cruciale beslissingen blijkt uit de bewonderenswaardige snelheid waarmee de kabinetten bepaalde informatie verwerken. Op 17 februari 2004 verstuurt de gemachtigde ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen (AROHM) zijn dertien bladzijden tellend advies over de ingediende inrichtingsstudie en zijn tweeëntwintig bladzijden tellend bouwaanvraagadvies vol bijkomende opmerkingen, juridische toetsingen, verwijzingen naar mogelijke inconveniënten (o.a. dat nog moet ‘worden nagegaan of de ingediende bezwaren gegrond zijn en kunnen leiden tot een weigering van de vergunning en dit ongeacht de gevoerde procedure’) en zelfs een suggestie van onrechtmatigheid wat betreft het eigenaarschap (op blz. 10 is Robelco ‘eigenaar van de percelen binnen de zone A’, maar op blz. 13 is dat al niet meer zo duidelijk) naar het college van burgemeester en schepenen. Op 19 februari belandt de bundel papieren bij de stafdienst inkomende stukken en één dag later verleent het college de stedenbouwkundige vergunning voor het volledige bovengrondse complex op zone A. In het huidige college zetelen zes schepenen uit het vorige college (dat is een meerderheid). Beweren dat het Kievitdossier een kwalijke erfenis is uit het verleden, is dus eerder een soort schuldbekentenis. Bovendien waren de meeste nieuwkomers in het huidige college gemeenteraadsleden onder het vorige bestuur: ook toen hadden ze protest kunnen aantekenen en de schepenen uit hun partij bevragen. Correct is het te beweren dat het huidige college doorgaans inderdaad meer belang hecht aan goede stedenbouwkunde dan het vorige. Het nieuwe team is meer doordrongen van het besef dat een goede ruimtelijke ordening een positieve impact heeft op het sociale weefsel en zelfs op maatschappelijke ontwikkelingen. Het communiceert daar vaak over en de burgemeester, de schepen van ruimtelijke ordening en de schepen van wonen handelen er ook meer en meer naar. Dat maakt hun gelaten houding tegenover ondoordachte ‘beslissingen van het vorige bestuur’ des te pijnlijker. Liever zagen de buurtcomités dat ze alsnog hun nek uitsteken en niet de andere kant opkijken. ‘Sorry, het is te laat’ krijgen de bewoners al ruim twee jaar te horen. Neen, het is nog niet te laat. De gebouwen staan er nog niet, de inrichting van het bovengrondse complex kan nog losgekoppeld worden van de inrichting van de reeds in aanbouw zijnde ondergrondse parking, zo wordt ons door externe architecten bevestigd. Dat blijkt ook uit het feit dat de bouwaanvragen voor beide complexen op verschillende momenten (30 september en 14 november 2003) ingediend en apart behandeld werden. In zijn besluit van 21 november 2003 stipte het college overigens zelf het volgende aan: ‘Een beslissing over de ondergrondse parking houdt geen goedkeuring in van de hoogte, vorm, structuur, materialen, bekleding, … van de bovengrondse bebouwing.’ De nieuwe wijk bestaat alleen in aangegane engagementen, vergunde bouwaanvragen, betaalde architecten en gedeeltelijk gegoten fundamenten waarvan deskundigen beweren dat ze de enige echt duurzame elementen zijn in het hele project, zo duurzaam dat je er nog vanalles op kan bouwen. Het is vooralsnog een virtuele wijk. Gelatenheid is een te smalle basis om een beleid te legitimeren. Bewust fouten maken is geen optie. Nu rest nog heel even tijd om samen te gaan zitten en het roer om te gooien. Wat op het spel staat is: het evenwicht bewaren in een fragiele woon- en werkwijk en tegelijk een prikkelend, voor alle inwoners uitnodigend grootstedelijk element toevoegen aan Antwerpen. Dat dit op een voor alle partijen correcte manier moet gebeuren is evident. Dat de overheden, de hoofdhuurder/bouwheer en de projectontwikkelaar tegemoetkomingen zullen moeten doen ook. Voor het stadsbestuur en het Vlaamse Gewest kan dit – in het kader van behoorlijk bestuur en rechtszekerheid – betekenen dat het leveren van nieuwe bouwvergunningen prioritair behandeld wordt en dat financiële compensaties worden uitgekeerd voor bepaalde door de bouwpromotor gemaakte kosten. Voor Alcatel betekent dit een herziening van de timing (en gedeeltelijk ook van het lastenboek). De mogelijkheid is er, want de stedelijke administratie plant haar intrek in de voormalige Alcatelgebouwen op het Zuid pas voor midden 2007. Alcatel kan de verhuis dus opschuiven van augustus 2006 naar het daarop volgende voorjaar. Ook voor Robelco zijn er consequenties: de promotor zal een deel van het afgelegde parcours opnieuw moeten afleggen en het bouwproces gedeeltelijk moeten heropstarten, met nieuwe bouwaanvragen, herziene contracten met aannemers en onderhandelingen over het inruilen van reeds bestelde materialen. Architecten dienen op korte termijn een bouwtechnisch complexer want gemengder alternatief te berekenen en uit te tekenen. In dit multifunctionele project zal Robelco bovendien ook meer rekening moeten houden met mede-eigendomconstructies (bij de appartementen). Laten we gewoon de moed hebben om Antwerpen te geven wat het verdient: een volwaardig HST-station met aan de toegangspoorten alleen maar voorkanten, waarbij pleinvorming, een verwevenheid van functies, goede doorwaadbaarheid en hoogwaardige architectuur telkens de bepalende elementen zijn. Altijd en overal volk op straat: dat moet de betrachting zijn, ook in de Kievitwijk. Want anders had men het nieuwe bouwproject evengoed naar een kantoorweide ver buiten het stadscentrum kunnen verwijzen. E. Het juridische luik: van bouwput naar beerput (verschijnt on-line op 24 november 2004) F. Historiek van een groeiende verontwaardiging (verschijnt on-line op 17 november 2004) Manu Claeys voor De Ploeg |